Florisschreve’s Weblog

Just another WordPress.com weblog

Antroposofie deel II; een repliek

VAN DE PROPAGANDA, HALVE WAARHEDEN EN DE KLOEKE LEUGENS

ANTROPOSOFIE DEEL II  (zie ook deel I ‘Geloof in kabouters…’ )

Over de kunst van het vermeend selectief citeren ter bewijs van een ‘vermeende’ rassenleer

waarin een gedeeltelijke repliek op Paul Heldens ‘9/11 Heikele kwesties’ en met een verwerking van zijn belangrijkste literatuursuggesties

Afgelopen voorjaar publiceerde ik op mijn blog een nogal polemisch artikel ‘Geloof in kabouters, Atlantis, Volkszielen en Wortelrassen en pas op voor Dark Lord Ahriman, zwart-magische constructies, de Luciferische Verleiding, overkokende kliersystemen en de ‘Finsteren Saturn’;  Rudolf Steiner en de antroposofie’ (inderdaad, de titel was wat lang). Hoewel het op sommige plaatsen enigszins ironisch getoonzet was, was het wel degelijk bedoeld om aan te tonen dat er wat duistere kanten aan de antroposofie kleven. Sterker nog, dat deze duistere kanten zich ook in de kern van de door  Rudolf Steiner geformuleerde ‘Weltanschauung’  bevinden.
Zoals ik ook in dat stuk al heb aangegeven, waren mijn motieven voor het schrijven van deze beschouwing vooral persoonlijk. Van de kleuterklas tot de zevende klas heb ik zelf op de Vrije School gezeten en kom ik uit een achtergrond die de antroposofie aanvankelijk zeer welgezind was. Het was bij ons de BD, de Jonas en mijn ouders lazen Bernard Lievegoed en Jelle van der Meulen. Wel was het altijd de gematigde kant van de antroposofie, het radicale gezicht ben ik pas later gaan ontdekken.
Na mijn lagere schooltijd ben ik nog slechts sporadisch met de antroposofie in aanraking geweest. Bij ons in de buurt (Twente) was geen bovenbouw en ik ben naar een niet antroposofische middelbare school gegaan. Eigenlijk was het pas tijdens mijn verblijf  in Leiden dat ik weer in aanraking kwam met deze levensbeschouwing. Ik wilde er zelf wat meer van weten dus heb een paar inleidende boeken gelezen, over de antroposofie (vooral de inleiding van Jacob Slavenburg) en verder over esoterie in het algemeen, vaak publicaties van min of meer antroposofisch georiënteerde uitgeverijen als ‘Ankh Hermes’ en ‘Christofoor’ (vooral de boeken van Thorwald Dethlefsen en Jan Karel Hylkema staan mij nog bij, maar ook Castaneda en Gurdieff). Ook heb ik me wat georiënteerd op andere stromingen, als de Vrijmetselarij en de esoterische kant van het Boeddhisme. Dat laatste was vaak meer geschiedenis, net als de uitstapjes naar het ’vermeend oorspronkelijk Christendom’, Katharen, etc, ook een tijdelijke hobby (lang voor ‘de Da Vinci Code’ overigens). Verder heb ik me enigszins beziggehouden met sommige esoterische uitleggingen van de opera’s van Mozart (‘Die Zauberflöte’), Richard Strauss (‘Die Frau ohne Schatten’) en Richard Wagner (‘Der Ring des Nibelungen’) en heb op dat gebied het een en ander aan overigens zeer boeiende lezingen gevolgd, van iemand die dat ook op een hele goede manier vanuit theosofisch/antroposofisch perspectief wist te belichten (vooral rond de tijd dat ‘de Ring’ van Wagner in de Nederlandse Opera werd uitgevoerd).
Vanuit de universiteit kreeg ik echter volstrekt ander soort denkbeelden mee (vooral veel postmodernisme en later ook het ‘postkolonialisme’ als ik het zo kan omschrijven, gezien mijn interesse voor hedendaagse kunst en cultuur uit de niet-westerse wereld). Ik ben me ook veel meer daarop gaan richten en heb de esoterie gelaten voor wat die was. Uiteindelijk vond ik het ook veel te megalomaan en, wat betreft de antroposofie, een idee als bijvoorbeeld de Aarde Evolutie en het bestaan van Wortelrassen (en ik verwar deze niet met de huidige mensenrassen, al blijf ik erbij dat het wel wat met elkaar te maken heeft, zie Blavatsky en overigens ook Steiner) werd voor mij een regelrechte absurditeit. Maar goed, ieder zijn geloof. Mijn interesse in de antroposofie werd weer gewekt toen de berichten van de kwesties Toos Jeurissen en Angelique Oprinsen in de Volkskrant verschenen en later uitgebreider in de Groene Amsterdammer. Het ging om twee vrije school ouders die waren gestuit op racistische elementen in het lesmateriaal van hun kinderen en een verband legden met de opvattingen van Rudolf Steiner zelf (zie hier de brochure van Toos Jeurissen, die deze naar alle vrije scholen in Nederland stuurde). Voor mij was het toen nog steeds dat de antroposofie op zich geen probleem was. Hooguit waren de opvattingen van Steiner ouderwets koloniaal, inderdaad precies wat de Commissie van Baarda met Edward Said in de hand ‘juridisch’ probeert aan te tonen (wel origineel gevonden, wat je er verder van mag vinden) en natuurlijk dat veel antroposofen van nu, dogmatisch als ze soms zijn, rigide de gedateerde opvattingen van Steiner letterlijk navolgden, zonder een greintje historisch besef (dat laatste vind ik overigens nog steeds).
Voor mij kwam een paar jaar geleden de kentering, na het lezen van het artikel van de historicus Jan Willem de Groot (gespecialiseerd in de, net als de antroposofie, aan de theosofie verwante ariosofie), gevonden op de site van Simpos (http://www.stelling.nl/simpos/antro1.htm). Dat was voor mij het breekpunt ‘voordeel van de twijfel/nadeel van de twijfel’. Uit zijn beschrijving van Steiners rassenleer herkende ik veel elementen die ik vroeger vanuit de Vrije school of antroposofische lectuur had meegekregen. Vanaf dat moment was het voor mij duidelijk dat de antroposofie echt een serieus racisme probleem heeft.

Nogmaals ‘Die Mission einzelner Volksseelen’; de sleutel tot Steiners occulte en zelfs ‘Hermetische’ rassenleer

Vooral het denken in analogieën (nacht=zwarte ras, ochtend =Aziaten, dag=blanke ras, avond=indianen) was voor mij een schok van herkenning, al had ik het zelf nooit meegekregen dat dit soort modellen ook op mensenrassen werden geprojecteerd. Maar het antroposofisch wereldbeeld (overigens net zo goed andere esoterische denksystemen, maar bijvoorbeeld ook de astrologie) hangen aan elkaar van analogieën, in plaats van causaliteiten. Wat ik hiermee bedoel is dat in de antroposofie het hermetische principe wordt toegepast, het ‘zo boven zo beneden’ beginsel , oorspronkelijk afkomstig van de Smaragden Tafel van Hermes Trismegistus, waarop zo’n beetje de hele westerse esoterische traditie is gebouwd (zie hier een Nederlandse en verschillende Engelse versies van de tekst, waaronder de vroegste middeleeuwse Arabische varianten tot de versies van Newton, Bacon en Helena Blavatsky). Deze korte tekst is grotendeels tamelijk cryptisch maar zou slechts door ‘ingewijden’ volledig te begrijpen zijn. Het gaat mij hier vooral om stelling 2, die van ‘wat lager is en wat hoger is’ (zie voor meer uitleg deze informatieve website of deze link naar de Ritman Bibliotheek), vergelijk ook met de hier later te bepreken notie van ‘evolutie en involutie’. Het belang van Hermes Trismegistus voor Rudolf Steiner blijkt uit een passage uit zijn cyclus ‘Het Mattheus Evangelie’ (p. 42). Daarin noemt hij Hermes Trismegistus een incarnatie van Zarathustra, een niet geheel onbelangrijk figuur voor de antroposofie ( de grondlegger van het Perzisch dualisme en de ‘uitvinder’ van Ahriman). Steiner heeft aan dit Hermetische concept (’zo boven, zo beneden’) overigens nog een keer een aparte voordracht gewijd, getiteld ‘Makrokosmos und Mikrokosmos : Die grosse und die kleine Welt – Seelenfragen, Lebensfragen, Geistesfragen’ (GA 119). Ook de titel ’Die Chymische Hochzeit des Christian Rosenkreutz’ uit 1917, spreekt al voor zich; het Hermetische gedachtegoed heeft Steiner, evenals Blavatsky, diepgaand beïnvloed en is wellicht essentieel om de antroposofie echt te begrijpen. De Tabula Smaragdina geldt immers als de belangrijkste oertekst, zoniet de ‘grondwet’ van de alchemisten en de Rozenkruisers. Wie hier meer van zou willen weten zou ik Gilles Quispel, ‘Hermetische Gnosis’, (Haarlem, Rozekruis Pers, 2003) willen aanraden. Ook het verband met Rudolf Steiner wordt hier duidelijk uitgelegd. En Quispel is niet de minste autoriteit op dit gebied.
Wat houdt dit ‘zo boven zo beneden beginsel’ in? Krachten en verhoudingen die in de macrokosmos werkzaam zijn, bijvoorbeeld de sterren of de loop van de planeten, zijn ook aanwezig in de microkosmos, bijvoorbeeld de levensloop van de mens, en in het geval van de antroposofie, de mensenrassen. Steiners ‘de Volkszielen’ is gebouwd op analoge causaliteiten of Hermetische ‘zo boven, zo beneden’ redenaties.  De Volkzielen is mijns inziens dan ook pas echt te begrijpen als je dit Hermetische aspect meeweegt. Zoals Steiner zijn rassenleer in astrologische termen heeft gegoten (in mijn artikel weergegeven in een wat ludiek overzichtje, maar hier dan maar voluit geciteerd):

‘Wenn wir den Punkt, den wir vor einigen Tagen in unseren Darlegungen in Afrika gefunden haben (zie figuur http://florisschreve.web-log.nl/.shared/image.html?/photos/uncategorized/2008/06/08/fig_1_volkszielen.jpg ), uns jetzt näher dadurch charakterisieren, daß, weil die normalen Geister der Form zusammenwirken mit denjenigen abnormen Geistern der Form, die im Merkur zentriert sind, die Rasse der Neger ensteht, bezeichnen wir okkult ganz richtig das, was in der schwarzen Rasse herauskommt, als die Merkur- Rasse. Jetzt verfolgen wir diese Linie weiter, die wir dazumal durch die Mittelpunkte der einzelnen Rassenausstrahlungen gezogen haben. Da kommen wir nach Asien und finden die Venus-Rasse oder die malayische Rasse. Wir kommen dann durch das breite Gebiet Asiens hindurch und finden der mongolischen Rasse, die Mars Rasse. Wir gehen dann herüber auf europäischen Gebiet und finden die europäischen Menschen, in ihrem Ur-Charakter die Jupiter Menschen. Gehen wir über das Meer hinüber nach Amerika, wo der Punkt, der Ort ist, an dem die Rassen oder Kulturen sterben, so finden wir die Rasse des Finsteren Saturn, die ursprüngliche indianische Rasse, die amerikanische Rasse. Die Indianische Rasse ist also die Saturn Rasse. Auf diese Weise Sie, wenn Sie sich okkult die Sache immer genauer vorstellen, die Kräfte, die diesen Weltenpunkten, diesen fünf Planeten, ihre äußere materielle Offenbarung erfahren haben. (Die Mission, p. 113).

Hierna gaat Steiner overigens uitgebreider op ieder ras in, zoals de door Mercurius ingegeven kokende klieren bij de zwarten, de Venuskrachten in de zinnelijke ademhaling van de Maleisiërs, de Jupiterkrachten in het rotsgebergte van het hoofd van de Europeanen, enz. Een greep uit enkele uitspraken op de daarop volgende pagina’s: ‘Alles, was der äthiopische ihre besonderen Merkmahle verleiht, das kommt davon her, daß die Merkurkräfte in dem Drüssensystem des betreffende Menschen kochen und brodeln. Das kommt davon her, daß sie auskochen, was die allgemeine, gleiche Menschengestalt zu besonderen der äthiopischen Rasse macht-mit der schwarzen Hautfarbe, dem wolligen Haar usw.’ (p. 116, heb dit laatste citaat trouwens ook gebruikt in de Nederlandse vertaling, in mijn vorige artikel). Over het ‘Maleisische Ras’: ‘Es wird also in diesem Teile des Nervensystems auf der Umwege durch das Atmungsystem gewirkt, der unserem Sinne noch nicht zu der höheren geistigen Tätigkeit gehört. Es wird tief im unterbewußten Organismus durch diese Venuskräfte gewühlt, die in diesem Rassenteile der Menschheit wirke’ (p. 117).
Aan de door ‘Mars’ bezielde Mongolen wijdt Steiner onder meer de volgende woorden: ‘Jetzt gehen wir über die breiten, mongolischen Flächen herauf. Das sind diejenigen Flächen, in denen die Geister der Form vorzugweise wirken, die den Umweg durch das Blut genommen haben. Da wird im Blut dasjenige ausgekocht, was die eigentliche Modifikation aus der menschheit heraus, den grundcharakter der Rasse bewirkt. Nun ist aber bei dieser mongolischen Rasse etwas höchst Eigentümliches vorhanden. Da gehen ins Blut hinein die Marsgeister’ (p.118). De planeet Mars werkt trouwens ook in op het Hebreeuwse Volk: ‘Wie das Mongolische hinein die sechs Elohim von der Sonne, Jahve vom Monde und ihnen entgegen die Marsgeister wirken, so müssen wir in einem anderen Falle annehmen, daß von der Mondrichtung her die Jahvekräfte wieder zusammentreten und zusammenwirken mit den Marsgeistern, und daß dadurch eine besondere Modifikation entsteht. Hier haben Sie, aus dem okkultesten Hintergrunde heraus geklährt, eine besondere Modifikation der Menschheit, nämlich diejenige, die zum Semietentum gehört. Im Semitentum haben Sie eine Modifikation des gesamten Menschentums, so, daß sich anschließt von den anderen Elohim Jahve oder Jehova und dieses Volk mit einem besonderen Charakter veranlangt, indem er zusammenwirkt mit den Geistern des Mars, um die besonderen Modifikation dieses Volkes hervorzubringen. Jetzt werden Sie auch das Besondere einsehen, das den semitischen Volk und seiner Mission liegt. In einem gewissen, tiefen okkulten Sinn konnte der Schreiber der Bibel sagen, daß Jahve oder Jehovah dieses Volk zu seinem Volk gemacht habe, und wenn Sie jetzt das dazu nehmen, daß hier eine Zusammenwirken stattfindet mit den Marsgeistern, und daß die Marsgeister ihre Angriffe vorzugweise auf das Blut richten, dann werden sie auch begreifen, warum gerade die fortgehende Wirkung des Blutes von Geschlecht zu Geschlecht, von Generation zu Generation für das semitisch-hebräische Volk von ganz besonderer wichtigkeit ist….’enz (p. 118). Wij zien dus hier dat Steiner de oorspronkelijk nomadische traditie van het Joodse Volk, waarin familieverbanden essentieel waren (uit het Oude Testament blijkt dat meer dan eens) te wijten zijn aan de werking van de planeet Mars op de bloedbanden, zodat het bijna een fysiek anatomisch tintje krijgt.
Dan de Europeanen. ‘Wir haben noch weiter zu verfolgen, wie die Geister und Wesenheiten, die im Jupiter ihren Mittelpunkt haben, in dem Menschen kochen und brodeln. Diese wählen sich nun den Zweiten Angriffspunkt, um ummittelbar auf das nervensystem zu wirken, und zwar geht durch alles das, was die Sinne des Menschen sind, der eine Angriffpunkt; der andere Angriffspunkt, der das Nervensystem  zu wirken; und zwar geht durch alles das, was die Sinne des Menschen sind, der eine Angriffspunkt; der andere Angriffspunkt, der das Nervensystem hineinwirkt, geht auf dem Umwege durch das Atmungsystem in das Sonnengeflecht. Der Angriff, der  von dem Jupiter ausgeht, geht auf dem Umweg durch die Sinneseindrücke und strömt  von da auf die Teile des Nervensystems, die im Gehirn und Rückenmark zentriert sind. Da hinein fließen also bei denjenigen Rassen, die zur Jupiter-Menscheit gehören, jene Kräfte, die den Rassencharakter besonders ausprägen. Das ist bei den arischen, vorderasiatischen und europäischen Völkern, bei denen, die wir zu Kaukasiern rechnen, mehr oder weniger der Fall’ (p. 119). Drie pagina’s gaat het zo verder, een grote jubelzang op de Jupiterkrachten in de hersenen van het Kaukasische ras. ‘Das ist das Kollegium, das sich, unter der Führung eines noch Größeren, die Aufgabe gesetzt hat, die Geheimnisvollen Kräfte zu untersuchen, welche ausgebildet werden müssen für die Evolution der Menschheit, der Ausgangpunkt genommen worden ist von jenige Punkte, der ursprüngliche zusammenhängt mit der Jupiter-Kráften und in der erwähnten Landkarte der Erde voherbestimmt war’. (p.121)
Maar aan al het goede komt een eind en na de bloei volgt de neergang. Dit zien wij terug in een ander ras, aan de overkant van de Oceaan. ‘Auf das Drüsen-System endlich, nur auf dem Umweg durch alle Systeme, wirkt dasjenige, was wir bezeichnen können als die abnormen Geister der Form, die im Saturn ihren Mittelpunkt haben. Da haben wir allem, was die Saturnrasse zu bezeichnen haben, etwas zusuchen, was sozusagen zumsammenführt, zusammenschließt das, was wieder  der Abenddämmerung der Menscheit zuführt, deren Entwickelung in gewisser Weise zum Abschluß bringt, und zwar zu einem wirklichen Abschluß, zu einem Hinsterben. Wie sich das Wirken auf das Drüsensystem ausdrückt, sehen wir an der indianischen Rasse. Darauf beruht die Sterblichkeit derselben, ihr Verschwinden. Der Saturn-Einfluß wirkt durch alle anderen Systeme zuletzt auf das Drüsensystem ein. Das sondert aus die härtesten Teile des Menschen, und man kann daher sagen, daß dieses Hinsterben in einer Art Verknöcherung besteht, wie dies im Äußeren doch deutlich sich offenbart. Sehen Sie sich doch die Bilder den alten Indianer an, und Sie werden gleichsam mit Händen greifen können den geschilderten Vorgang, in dem Niedergang dieser Rasse. In einer solchen Rasse ist alles dasjenige gegenwärtig geworden, auf eine besondere Art gegenwärtig geworden, was in der Saturnentwicklung vorhanden war; dann aber hat es in sich selber zurückgezogen und hat den Menschen mit seinem harten Knochensystem allein gelassen, hat ihn zu Absterben gebracht’. (p. 122)
Bijna temerig gaat Steiner door over de ‘zwanenzang’ van het ‘rode ras’: ‘Was war für den Indianer das Größte? Es war, daß er noch ahnen konnte etwas vonder alte Größe und Herrlichkeit eines Zeitalters, welches in der alten Atlantische Zeit vorhanden war, wo noch wenig um sich gegriffen hatte die Rassespaltung, wo Menschen hinaufschauen konnten nach der Sonne und wahrzunehmen vermochten durch das Nebelmeer eindringenden Geister der Form. Durch ein Nebelmeer blickte der Atlantier hinauf zu dem, was sich für ihn nicht spaltete in eine Sechs-oder Siebenheit, sondern zusammenwirkte. Das, was zusammenwirkte von den sieben Geistern der Form, das nannte der Atlantier  den großen Geist, der in der alten Atlantis dem Menschen sich offenbarte. Dadurch hat er nicht mit aufgenommen das, was die Venus-, Merkur-, Mars- und Jupiter-Geister bewirkt haben im Osten. Durch dieses haben sie gebildet all die Kulturen, die in Europa in der Mitte des neunzehnten Jahrhunderts zur Blüte gebracht wurden. Das alles hat er, der Sohn der braune Rasse, nicht mitgemacht. Er hat festgehalten an dem großen Geist der unfernen Vergangenheit. Das, was die anderen gemacht haben, die unfernen Vergangenheit auch den großen Geist aufgenommen haben, das trat ihm vor Augen, als ihm ein Blatt papier mit vielen kleinen Zeichen, den Buchstaben, von welchen er nichts verstand, vorgelegt werden’. (p. 123)
Tot zover deze citatenreeks uit de Volkszielen. Nog even ter herinnering, volgens de van Baarda commissie waren er in het totale oeuvre van Steiner slechts zestien ernstig discriminerende uitspraken te vinden, waarvan er geen één uit ‘Die Mission einzelner Volksseelen’ afkomstig was. En vooral dat er geen sprake was van rassenleer. Concluderend kan er mijns inziens het volgende gesteld worden: Steiners rassenleer uit de Volkszielen is de bijna volmaakte synthese van:

1. Het Hermetische ‘zo boven zo beneden principe’ en het denken in analogieën (planeten, leeftijdsfases, etc.). Voor de indeling naar de leeftijdsfases nog eenmaal (in mijn vorige artikel al geciteerd): ‘Der Afrikanische Punkt entspricht denjenigen Kräften der Erde, welche dem Menschen die ersten Kindheitsmerkmale aufdrücken, der asiatische Punkt denjenigen, welche dem Menschen die Jugendmerkmale geben, und die reifsten Merkmale drückt dem Menschen der entsprechende Punkt im europäischen Gebiete auf. Das ist einfach ein Gesetzmäßigkeit. Da alle Menschen in verschiedenen Reinkarnationen durch die verschiedenen Rassen durchgehen, so besteht, obgleich man uns entgegenhalten kann, daß der Europäer gegen die schwarze und die gelbe Rasse einen Vorsprung hat, doch keine eigentliche Benachteilung’ (’Die Mission’, p. 80-81) en ‘Dann sehen wir später eine Herüberbewegung des Menschen nach der westlichen Richtung, und in der Verfolgung der rassebestimmende Kräfte nach Westen können wir dann das Absterben in den Indianen beobachten. Nach Westen mußte die Menschheit gehen, um als Rasse zu sterben’ (p. 81-82). Ik zou het overigens eerder een racistische aberratie van het Hermetisme willen noemen.

2. De recapitulatie-leer van Ernst Haeckel (1834-1919) waar Steiner diepgaand door beïnvloed was, zie ‘Waarheid en wetenschap’, maar ook de uitleg in het van Baarda rapport, p. 113-115 (de leeftijdsfases van de mens, zie hiervoor ook Poppelbaum). Haeckels nu algemeen verworpen theorie komt er op neer dat de menselijke foetus alle stadia van evolutie doormaakt tot de geboorte (ongewerveld dier, vis, reptiel, zoogdier, mens, zie afb. ). Steiner, die een enthousiast aanhanger van Haeckel was, trekt dan na de geboorte een parallel met de verschillende rassen (zwarte als kind, Aziaat als puber tot en met als meest rijpe fase, het Arische ras, waarna de degeneratie volgt met de Indianen, zie bovenstaand citaat). Overigens was de relatie met Haeckel een gecompliceerde. Ik verwijs hier naar een informatief artikel van de website Defending Steiner (ik doe niet alles af), waarin deze relatie gedetailleerd wordt uitgelegd. Ook komt daar de notie van Evolutie en Involutie ter sprake, waar ik later nog op terugkom.

3. Plat negentiende eeuws racisme en arische superioriteitswaan, ingebouwd (gerationaliseerd zo je wilt) in bovendstaande modellen. Zie voor de Europese superioriteitsgedachte vanzelfsprekend Edward Saids notie van Oriëntalisme (westen = rationeel, oosten=irrationeel, westen=volwassen, oosten = kinderlijk, enz.), of het 19e eeuwse Amerikaanse Manifest Desteny (indiaanse ras is voorbestemd te verdwijnen voor de superieure westerse beschaving). Zijn vanzelfsprekend nog veel meer voorbeelden van te noemen. Ik zou het overigens ongekend progressieve maar toch zeer koloniale ‘Max Havelaar’ van onze eigen Multatuli kunnen noemen, tot en met de beschrijvingen van Alexis de Tocqueville, ook niet de minste, over de indianen uit 1831. Verschil is wel dat Steiners geschriften van veel recentere datum zijn. En Multatuli en de Tocqueville, niet geheel vrij van koloniale smetjes, zijn vele malen progressiever dan Rudolf Steiner.

‘Der Schwarze ist ein Egoist’ in Farbe und Menschenrassen’; Steiner op zijn grofst

Ik wil hier nog een andere publicatie van Steiner behandelen, de uitgeschreven voordrachtencyclus ‘Vom Leben des Menschen und der Erde; über das Wesen des Christentums’ die hij in 1923 hield voor de arbeiders van de bouw van het Goetheanum in Dornach (dus dertien jaar na de Volkszielen). Deze cyclus is bijna net zo berucht geworden als de Volkszielen (veel aangehaald in zowel Jeurissen als Moerland, maar ook elders). Het gaat hierbij vooral om de derde lezing, ‘Farbe und Menschenrassen’, gehouden op 14 maart 1923. Hij hield deze voordracht twee jaar voor zijn dood op 30 maart 1925, toch van belang om op te merken, omdat er in antroposofische kring weleens gezegd wordt dat de late Steiner afstand had genomen van zijn eerdere rassentheorieën. Als dat zo is moet dat gebeurd zijn in die laatste twee jaar.
Overigens zijn er uit deze lezing wel uitspraken door de van Baarda commissie als ernstig discriminerend aangemerkt (maar liefst vier van de zestien). Dit is een opmerkelijk verschil. Toegegeven, de toonzetting van ‘Farbe und Menschenrassen’ is aanmerkelijk ruwer dan die uit ‘de Volkszielen’. Zoals de commissie zelf zegt: ‘Deze lezingen, de zogenaamde arbeidersvoordrachten, zijn door hun stijl uniek in het verzamelde werk van Rudolf Steiner. Ze tonen het duidelijkst aan hoe hij bij zijn lezingen uitging van het referentiekader van zijn toehoorders. Het is om die reden onmogelijk er een enkele zin uit te citeren en die buiten de de context van de hele lezing te interpreteren’ (eindrapport, p. 380).
Goed, met andere woorden, een vorm van volksverheffing. Wat betreft de context en de lezing als geheel valt overigens zeker wat interessants te melden, maar dat is wel wat anders dan wat de commissie er van heeft gemaakt. Kom ik later op terug. Wat Steiner onder deze ‘volksverheffing’ verstond wordt meteen duidelijk. Na het ‘Gutemorgen’ brandt hij als volgt los: ‘Da kommt heute für uns zunächst dasjenige in Betracht, was am meisten interessant ist, nämlich die menschliche Farbe selber. Sie wissen ja, daß über die Erde hin die Menschen verschiedene Farben zeigen. Von den Europäern, zu denen wir gehören, sagt man, sie seien die weiße Rasse. Nun, sie wissen ja, eigentlich ist der Mensch in Europa nicht ganz gesund, wenn er käseweiß ist, sondern er ist gesund, wenn er seine naturfrische Farbe, die er im Innern selber erzeugt, durch das Weiße nach außen zeigt’. Hij vervolgt met: ‘Nun haben wir aber außer dieser europäischer Hautfarbe noch vier hauptsächliche andere Hautfarben. Und das wollen wir heute ein bißchen betrachten, weil man eigentlich die ganze Gesichte und das ganze soziale Leben, auch das heutige soziale Leben, nur versteht wenn man auf die Rasseneigentümlichkeiten der Menschen eingehen kann. Un dann kann man ja auch erst im richtigen Sinne alles Geistige verstehen, wenn man sich zuerst damit beschäftigt, wie dieses Geistige im Menschen gerade durch die Hautfarbe hindurch wirkt’ (p. 52).
Over dit laatste citaat is veel te doen geweest. Het is door alle critici van Steiner aangehaald, om het belang van zijn rassenleer te onderstrepen. De Commissie van Baarda ziet het overigens als een ‘typische overdrijving’, die Steiner wel vaker toepaste als hij op een specifiek onderwerp inging. In dit geval de rassen dus, dus zou dat ook op dat moment van wezenlijk belang zijn. Ik wil dit in het midden laten. Wat ik hier interessanter vind is dat Steiner spreekt van ‘das heutige soziale Leben’. In veel vertalingen, of verkorte weergaves van deze passage is dit vaak weggevallen, maar dit lijkt mij cruciaal. Hij zegt namelijk hetzelfde in de Volkszielen ‘Diese Linie besteht auch für unsere Zeit’ (p. 81).  ‘Unsere Zeit’ of ‘das heutige soziale Leben’, Steiner bespreekt de contemporaine situatie en dus niet een ver verleden. Veel antroposofen van nu (heb ik ook laten zien in ‘Geloof in Kabouters…’) beweren namelijk dat alle kwalificaties voor mensenrassen over een ver verleden zouden gaan (zullen we ook later terugzien bij Geuljans en van Manen). Dat blijkt dus wederom niet het geval. Bernd Hansen van de Junge Antroposophen in Duitsland heeft dit argument overigens ook al eens overtuigend weerlegd. Hansen: ‘Die oft betonte Aussage Rudolf Steiners ‘Rassen haben ab jetzt keine Bedeutung mehr oder verlieren an Bedeutung’ wird durch den Satz ‘Die weisse Rasse ist die zukünfige, die am Geiste schaffende Rasse’ relativiert. Auch stehen die pauschalen, öfter herablassenden und teilweise unbegreiflichen Äusserungen über Japaner, Franzosen, Malaien, Schwarze und Indianer im Widerspruch zu dieser Äusserung’ (geciteerd uit Jan Willem de Groot).
Verder is deze voordracht wat betreft racistische kwalificaties regelrecht grof te noemen, uitzonderlijk grof voor Steiners doen. De Volkszielen is gematigder getoonzet, maar ook veel geraffineerder. Dit is een opeenstapeling van lompe kwalificaties. Ik zal er een paar uitlichten, waarvan sommige zijn gekwalificeerd als ernstig discriminerend maar sommigen gek genoeg niet, terwijl die soms nog ernstiger zijn. Dat laatste is buitengewoon vreemd; het gaat hier om een korte voordracht (slechts zestien pagina’s in pocket uitgave), dus ik kan me niet voorstellen dat die niet gesignaleerd zijn. Een paar zijn overigens wel gesignaleerd (staan ook in het rapport vermeld), maar de selectie van de commissie van welke wel en welke niet discriminerend zijn, vind ik wel wat vreemd en wellicht willekeurig.
Een paar voorbeelden: ’Zu Asien gehört die gelbe Rasse, die Mongolen, die Mongolische Rasse, und zu Europa gehört die Weiße Rasse oder die kaukasische Rasse, und zu Afrika die schwarze Rasse oder die Negerrasse. Die Negerrase gehört nicht zu Europa, und es ist natürlich nur ein Unfug, daß sie jetzt in Europa eine so große Rolle spielt. Diese Rassen sind gewissermaßen in diesen drei Erdteilen heimisch’ (Vom Leben des Menschen, p. 53, van Baarda rapport 380). Dit citaat heeft de commissie in de eerste categorie geplaatst als ernstig discriminerend, al wordt er wel een heel bijzonder argument ter verdediging van Steiner aangevoerd. De commissie stelt dat het hier wellicht gaat over de invloed van ‘zwarten’, ‘negers’ zo je wilt, op de amusementscultuur, zoals bijvoorbeeld de jazz. En Steiner hield niet van jazz, net als de grote filosoof en muziektheoreticus Theodor Adorno van de Franfurter Schule. De commissie verwijst naar Adorno’s essay ‘Über jazz’ ter verdediging van Steiner. Nu kun je lang over Adorno´s opvattingen over jazz praten (mijns inziens was deze grote filosoof wat dat betreft enigszins conservatief, of zelfs reactionair en bekrompen, zeg ik als jazzliefhebber, overigens hier niet echt relevant) het gaat hier vooral om zijn positie ten aanzien van het ‘Hight Art-Low Culture debat’ veelal aangeroerd door de Canadese socioloog en cultuurwetenschapper Thomas Crow (overigens pas jaren later), die een tegengestelde positie ten opzichte van Adorno inneemt en Adorno in deze aanvecht. Maar ook dit heeft niets te maken met huidskleur. Later zal ik Adorno nog een keer ter sprake brengen, overigens ten nadele van de antroposofie, bij de bespreking van Maarten Ploegers bijdrage aan het debat.
Overigens, als de commissie constant klaagt over misbruik en uit de context halen, laat ze dan het goede voorbeeld geven en geen denkers als Edward Said en Theodor Adorno voor de kar van ‘hoe redden we de antroposofie’ spannen. Afgaande op mijn eigen bescheiden kennis en inzichten, durf ik de stelling wel aan dat beide denkers zich bij leven hier niet gelukkig bij hadden gevoeld.
Interessanter is overigens om naar een ander citaat van Steiner te kijken, iets verderop. Deze werd niet als ernstig discriminerend aangemerkt, bijzonder vreemd want deze is nog een beetje ernstiger. Steiner: ‘Und weil er eigentlich das Sonnige, Licht und Wärme, da an der Körperoberfläche in seiner Haut hat, geht sein ganzer Stoffwechsel so vor sich, wie wenn in seinem Innern von der Sonne selber gekocht würde. Daher kommt sein Triebleben. Im Neger wird da drinnen fortwährend richtig gekocht, und dasjenige, was dieses Feuer schürt, das ist das Hinterhirn (..) Der Neger hat nicht nur dieses Kochen in seinem Organismus, sondern er hat auch noch ein furchtbar schlaues und aufmerksames Auge. Er guckt schlau und sehr aufmerksam’ (p. 55). Deze lijkt me iets ernstiger dan de vorige uitspraak. Waarom deze uitspraak niet in de eerste categorie, Commissie van Baarda? Het laat ook meteen iets interessants zien. Je zou deze uitspraak bijna op de uitspraken over het ‘zwarte ras’ uit de Volkszielen kunnen leggen. Conclusie er is sprake van een sterke continuïteit, oftewel dit is geen uitglijder. Tussen de Volkszielen en deze voordracht zit immers dertien jaar. Tweede conclusie, er is inderdaad sprake van rassenleer.
Ook uit andere passages blijkt de continuïteit met de Volkszielen. Alleen gaat het er hier wat ruiger aan toe. Zo vergelijkt Steiner ‘negers’ met ‘steenkool’, want ‘Wenn er nun eine Zeitlang in der Erde geblieben ist, was wird er? Schwarze Kohle! Schwarz wird er, weil er, als ein Baum war, Licht und Wärme in sich aufgenommen hat’ (p. 54). En negers nemen ook licht en warmte op, dat hebben we eerder gezien.
Iets verder staat: ‘Gehen wir jetzt vom Schwarzen zum Gelben herüber. Beim Gelben-das ist schon verwandt mit dem Roten-ist es so, daß das Licht etwas zurückgeworfen wird, viel aber aufgenommen wird. Also da ist es schon so, daß der Mensch mehr Licht zurückwirft als beim Schwarzen. Der Swarze ist ein Egoist, der nehmt alles Licht und Wärme auf’ (p. 56). Steiner had er zin in. Waarom heeft niemand eerder deze eruit gelicht? Dit is pas echt een oneliner. Wat heeft de commissie van Baarda hierop te melden? Eerst ‘De formuleringen van Steiner wekken wel enige bevreemding op’. Dat lijkt mij ook, maar dan: ‘Door fysiologisch onderzoek zou kunnen worden nagegaan of ook op materieel gebied zulke verbindingen te leggen zijn, maar dat valt buiten het kader van dit rapport’ (p. 384). Weet niet of ik zo’n onderzoek wel zo verstandig zou vinden, laten we het daar maar bij houden. Als het een antroposofisch initiatief zou zijn en je zou met deze motivatie van Steiner komen heb je pas echt een rel, lijkt mij tenminste.
Steiner vervolgt: ’Der Gelbe, von der mongolischen Bevölkerung, der gibt schon etwas Licht zurück, aber er nimmt auch viel Licht auf. Er begnügt sich mit weniger Licht, das kann nun nicht im ganzen Stoffwechsel arbeiten. Da muß der Stoffwechsel schon auf seine eigene Kraft angewiesen sein. Das arbeitet nämlich in der Atmung und in der Blutzirkulation. Also beim Gelben, beim Japaner, beim Chinesen, da arbeitet das Licht und die Wärme hauptsächlich in der Atmung und der Blutzirkulation. Wenn Sie je einem Japaner begegnet sind, so werden Sie bemerkt haben, wie dr auf seine Atmung achtet. Wenn er mit Ihnen redet, hält er sich immer zurück, daß die Atmung so recht in Ordnung ist. Er hat ein gewisses wohlgefühl an die Atmung (…) Der Neger ist viel mehr auf Rennen und auf die äußere Bewegung aus, die von dem Trieben beherrscht ist. Der Asiate, der Gelbe, der entwickelt mehr ein innerliches Traumleben, daher ganze asiatische Zivilisation dieses Träumerische hat. Also ist er nicht mehr so in sich bloß lebend, sondern er nimmt schon vom Weltenall etwas auf. Un daher kommt es, daß die Asiaten so wunderschöne Dichtungen über das ganze Weltenall haben. Der Neger hat das nicht’ (p. 57).
Ik denk niet dat dit is recht te praten, met wat voor kunst en vliegwerk dan ook. Dit is puur racisme, oftewel rassenleer in de meest elementaire vorm. Ook dat verhaal van de ademhaling bij de Aziaten hebben we al gezien bij de Volkszielen, dus wederom een sterke continuïteit. Op deze manier gaat het door tot het eind.
Goed, de Europeanen dan. Wat heeft Steiner daar over te melden? ‘Nun, meine Herren, betrachten wir uns selber in Europa. Wir sind in der Tat dem Weltenall gegenüber eine weiße Rasse, den wir werfen alles äußere Licht zurück. Wir werfen alles äußere Licht und im Grunde genommen auch alle Wärme zurück’. Dus de Europeaan geeft en de Afrikaan neemt. Interessante theorie, zeker in Steiners tijd, toen het kolonialisme op zijn hoogtepunt was.
Maar goed, Steiner stelt dat wat de Afrikanen met hun ‘Triebleben’ hebben en de Aziaten met hun ‘Traumleben’ heeft de Europeaan met zijn ‘Denkleben’, gezeteld in zijn ‘Vordergehirn’ (schematisch uitgetekend op p. 56, waar ook is weergegeven dat de zwarten meer hun ‘Hintergehirn’ hebben ontwikkeld en de Aziaten hun ‘Mittelgehirn’). Steiner resumeert: ‘Dadurch aber stellt sich das Folgende heraus: Der mit dem Hintergehirn, der hat vorzugweise das Triebleben, das Instinktleben. Der da mit der Mittelgehirn hat das Gefühlsleben, das inder Brust sitzt. Und wir Europäer, wir armen Europäer haben das Denkleben, das im Kopf sitzt. Dadurch fühlen wir gewissermaßen unseren inneren Menschen gar nicht’ (p. 58).
Steiner gaat hierna nog door maar de essentie van zijn voordracht is hier wel weergegeven. Steiner roemt nog de bijzondere innerlijke kwaliteiten van het zwarte ras en inderdaad, dat haalt ook de commissie van Baarda aan. De commissie stelt: ‘In de antroposofische menskunde worden anatomisch en fysiologisch drie systemen van elkaar onderscheiden: het stofwisselings-ledematensysteem, het ritmische systeem en het zenuw-zintuigensyteem. Zij vormen de lichamelijke grondslag voor respectievelijk het willen, het voelen en het denken. In de voordracht laat hij zien dat deze drieledigheid ook van toepassing is op de mensheid als geheel. De drie systemen zijn als het ware over de drie hoofdrassen verdeeld. Bij het zwarte ras ligt de nadruk op het stofwisselings-ledematensysteem, bij het gele ras op het ritmische systeem en bij het blanke ras op het zenuw-zintuigensysteem’ (p. 386).
Duidelijk, alleen zegt de commissie het vriendelijker dan Steiner zelf. Maar als je zelfs slechts de woorden van de commissie zou aanhalen, is er dan geen sprake van rassenleer? Ik denk dat met deze laatste opmerkingen de commissie haar eigen hoofdconclusie ‘er is géén sprake van rassenleer’ volledig ondergraaft. Het gaat hier, ook voor Steiners doen, om een buitengewoon platvloers verhaal, eigenlijk weerzinwekkend in zijn unverfroren racisme. Toch is er iets interessants uit te halen. Naast het vijfdelige planetaire model en het vierdelige ‘leeftijdsfase’ model, duikt hier het ‘driedelige model’ op. Die van de dag, nacht en schemeringsrassen. Anderen hebben er al op gewezen dat dit model verdacht veel lijkt op de rassentheorieën van Carl Gustav Carus, de uitvinder van het schedelmeten (Jana Hussman en Jan Willem de Groot).  Ook wordt het antroposofische model van ‘hoofd’, ‘hart’ en ‘buik’, oftewel verstand, gevoel en driftleven op de drie hoofdrassen geprojecteerd. Alles hangt immers samen met alles en alle patronen herhalen zich in diverse verschijningsvormen. Zie hier weer het hermetische element, al geloof ik niet dat dit ooit voor mensenrassen was bedoeld.
Verder is deze lezing, al was het maar vanwege de bruutheid, van een ander kaliber dan wat we hiervoor gezien hebben. Nog een fragment: ‘Und so ist es wirklich ganz interessant: Auf der einen Seite hat man die Schwarze Rasse, die am meisten irdisch ist. Wenn sie nach Westen geht stirbt sie aus. Man hat die gelbe Rasse, die mitten zwischen Erde und Weltenall ist. Wenn sie nach Osten geht, wird sie braun, gliedert sich sich zu viel dem Weltenall an, und stirbt aus. Die Weiße Rasse ist die zukünftige, ist die am Geiste schaffende Rasse. Wie sie nach Indien gezogen ist, bildete sie die innerliche, poetische, dichterische, geistige indische Kultur aus. Wenn sie jetzt nach westen geht, wird sie eine Geistigkeit ausbilden, die nicht so sehr den innerlichen Menschen ergreift, aber die äußere Welt in ihrer Geistigkeit begreift’ (p. 67). Gutemorgen inderdaad. Wat een jubelzang. Bij deze is dus ook de veel aangehaalde opmerking van Steiner dat het Europese ras het ras van de toekomst is langsgekomen.
Aan het eind van het verhaal krijgt de ‘normale wetenschap’ een veeg, wanneer het de ‘menskunde’ betreft. Steiner: ‘Da war einer von diesen Naturforschern, der hat es besonders stark gemerkt: man kommt ja nicht mehr weiter, man erfährt durch die gegenwärtige Wissenschaft nichts von Menschen. Aber er hat nicht gesagt: also müssen wir uns der Anthroposophie nähern, sondern er hat gesagt: Gebt uns Leichen, damit wir die zergliedern können. Sehen Sie, das war alles was er sagen konnte: Gebt uns Leichen!’ (p. 67-68). Dit laatste staat los van de rassenkwestie, maar het is weer wel een aardig voorbeeld van hoe de antroposofie, in dit geval Steiner zelf, tegen wetenschap aankijkt. Wat wilt u dan meneer Steiner, onbewezen rassentheorieën loslaten op echte levende mensen? Geef mij dan toch die materialistische wetenschap maar, gebaseerd op empirie. En daar heb je soms weleens ‘Leichen’ voor nodig. Zolang dat maar netjes geregeld is, met wilsbeschikking etc. en niet zoals dat nu nog gebeurt in de Volksrepubliek China, lijkt me daar niets mis mee. Is trouwens een goed gebruik sinds de renaissance. Een ‘grote ingewijde’ als Leonardo da Vinci was hierin zelfs pionier. Hij is er mee begonnen lichamen van overledenen te onderzoeken (heeft ook de prachtigste anatomische tekeningen opgeleverd). Toch niet echt iemand die in met hermetisme en gnosticisme dwepende kringen wordt afgewezen.
Goed, het gaat hier om een korte lezing, slechts bedoeld als ‘volksverheffing’ en dus zeker geen basiswerk van Steiner, of een andere essentiële sleutel tot zijn gedachtegoed (al is het opduiken van Carus driedelige rasmodel zeker interessant). In die zin is het van minder belang dan de Volkszielen. Wel opmerkelijk dat de commissie zich zo op dit verhaal heeft gefixeerd (vier uitspraken in de eerste categorie, overigens dan nog een paar ernstiger uitspraken over het hoofd ziend). Dit verhaal maakt echter wel zichtbaar dat het racisme van Steiner virulent is, alleen laat hij zich in dit verhaal echt goed gaan en gooit hij alle remmen los. Schwarze Kohlen und käseweiß! Met de zwarte als nemer en de blanke als gever, vooral van ‘warmte’. Dit ter meerdere glorie ende verheffing der arbeidersklasse. Wat zou een goede Duitse socialist uit die tijd of onze eigen Domela Nieuwenhuys hiervan gevonden hebben? Zou wel benieuwd zijn. Voor de echte rassenleer en de achterliggende theorie moet je echter bij de Volkszielen zijn. Dat is rassenleer voor de ‘elite’ en de ‘ingewijden’.

Sprake van rassenleer

Laten we dus vaststellen dat er wel degelijk sprake is van rassenleer en wel volgens een zeer doordacht en consequent model, al zijn de grondslagen van dat model regelrecht absurd te noemen volgens iedere ‘normale’ logica. Fysionomie, astrologie, geografie en huidskleur, alles samengebracht tot een geheel. Hoe ‘mooi’ de theorie ook in elkaar lijkt te zitten, deze manier van redeneren staat haaks op iedere vorm van academisch of filosofisch redeneren in de wetenschappelijke traditie, zoals die sinds Descartes gebruikelijk is. Dit plaatst de antroposofie ook buiten de wetenschap, hoezeer er in antroposofische kring wordt gesproken van ‘wetenschap’. Correcter is het om te zeggen dat het om een geloof gaat, al wil ik mij hier niet uitspreken over de mogelijkheid tot schouwen in de Hogere Werelden, zoals Rudolf Steiner zijn ‘Geesteswetenschap’ heeft omschreven (vooral Steiners ‘Wetenschap van de Geheimen der Ziel’ is op dit gebied zeer onthullend). Het gaat mij er hier overigens niet om, om een uitgebreide beschouwing te houden over wat wetenschap is en wat niet (dat is filosofisch nogal complex en voert dus wat ver), maar ik denk dat de vaststelling dat de antroposofie vooral een ‘geloof’ is en geen ‘wetenschap’ hier volstaat. In de woorden van Jan Willem de Groot:

“De antroposofie presenteert zich graag als een ‘wetenschap’. Zij meent dat haar uitspraken over ‘kosmische wetmatigheden’ en de invloed van deze ‘wetten’ op het functioneren van hele volken en culturen een objectieve basis hebben. De antroposofen zelf spreken hier van een specifieke antroposofische ‘geesteswetenschap’, een methode, waarmee objectief inzicht in de (bovenzinnelijke) ‘geesteswereld’ zou kunnen worden verkregen (voor antroposofen een vaststaand gegeven). Op deze wijze zou ook het metafysische lot van volken en rassen ‘objectief’ kunnen worden bepaald. De pretentie van de antroposofie een ‘wetenschap’ te zijn, is natuurlijk onzinnig. De grandioze kosmologische veronderstellingen van de antroposofie over de ontwikkeling van de mensheid in de richting van een ‘hogere’ bestemming (het teleologische aspect van de antroposofie) en de rol van de verschillende rassen daarin kunnen op geen enkele wijze worden geverifieerd of gefalsifieerd. De antroposofie is een typisch voorbeeld van een speculatieve metafysica en daarmee een geloof”.

Beter zou ik het niet kunnen formuleren. Overigens heb ik hier wel wat aan toe te voegen. De algemene generalisaties en de welhaast monolithische voorstellingen van niet alleen ‘rassen’ maar ook ‘culturen’ zijn een gruwel voor iedereen die vandaag de dag een beetje geschoold is in een historische of cultuurwetenschap. Ook in de culturele antropologie is dit soort etnocentrisch, laat staan racistisch denken (want dat is het) terecht volstrekt uit den boze. De hele theorie van de rassen, maar ook de cultuurperiodes kan wat mij betreft afgedaan worden als negentiende eeuwse eurocentrische rassenwaan, maar helaas tot op de dag van vandaag wordt het binnen sommige antroposofische kringen verkocht en beleden als een diepe mystieke en essentiële waarheid.
Toen dit voor mij duidelijk was geworden heb ik het onderwerp een tijd lang laten liggen. Voor mij was het langzamerhand wel klaar. Dat veranderde toen ik op internet (min of meer toevallig) het Belgische internet tijdschrift ‘de Brug’ ontdekte. De opvattingen die daar geventileerd werden waren wat mij betreft zo extreem (ik herkende het in eerste instantie ook nauwelijks als antroposofie, gezien de Holocaustontkenningen in diverse artikelen. Leek meer op neo-fascisme) dat ik in ieder geval er meer van wilde weten en er desnoods iets mee wilde doen. Toen ik uiteindelijk ‘Die Mission einzelner Volksseelen’ in handen heb gekregen en Steiners woorden in de oorspronkelijke taal kon bestuderen, viel alles op zijn plaats. Natuurlijk, het soms duistere, wollige en archaïsche taalgebruik van Steiner en de niet al te rabiate toon van de meerderheid van de vooraanstaande Nederlandse antroposofen vielen in het niet bij de soms drieste scheldkanonnades van de Brug, maar de inhoudelijke overeenkomsten waren er zeker. Vandaar dat ik uiteindelijk in de pen ben geklommen (de directe aanleiding was een platform voor oud-vrije schoolleerlingen op hyves, waar iemand zei eigenlijk geen idee te hebben wat de antroposofie als levensfilosofie inhoudt, terwijl ze  onder en bovenbouw had gedaan. Overigens begrijpelijk, want een vak antroposofische levensbeschouwing krijg je niet, dat komt pas op de Vrije Hoge School).
De reacties op mijn stuk zijn wisselend geweest. Vanuit de sfeer van bekenden waren die meestal positief, ook als mensen, veelal in beperkte mate, zich verwant voelden aan de antroposofie. Een enkeling reageerde met ongeloof en zelfs afwijzing en een ander (overigens een groot kenner van het werk van Steiner en Blavatsky, wiens mening ik zeer hoog acht, maar niet gelieerd aan de antroposofische vereniging of een soortgelijk georganiseerd verband) was het niet eens met mijn uitleg van de wortelrassen, vooral het verband dat ik legde Steiners theorieën over de bestaande mensenrassen in de Volkszielen. Op grond van de literatuur (‘de Akasha Kroniek’ en Blavatsky’s ‘De Geheime Leer’) ben ik tot een andere conclusie gekomen. We zijn het voorlopig oneens maar moeten hier wellicht een keer over van gedachten wisselen.

Heikele Kwesties

Een zeer negatieve maar uitvoerige reactie heb ik gekregen van Paul Heldens, onder meer docent aan de Rudolf Steiner Academie in Gent. Aanvankelijk aarzelde ik een beetje of ik het moest noemen, want hij heeft zijn tegenartikel na twee dagen weer ingetrokken, wegens de negatieve reacties die hij ontving, ook van antroposofische zijde. Toch heeft hij zijn stuk op de site van Antrovista geplaatst (een grote Nederlandse antroposofische website), met een duidelijke en zelfs ronkende banner op de homepage met de titel ‘Heikele kwesties; zeven jaar  9/11′. Hij hekelde daarin vooral Michel Gastkemper, voormalig redacteur van ‘Motief”, het blad van de Antroposofische Vereniging in Nederland, en mede redacteur van een project voor de nieuwe Rudolf Steiner vertalingen (is overigens een ander project dan de Pentagon vertalingen, die ik in mijn vorige stuk sterk heb bekritiseerd), die een welwillende bespreking van mijn stuk had geschreven op zijn blog, overigens in het midden latend of ik gelijk had of niet. Heldens: ‘Als dan ook nog een goudeerlijke oud-vrijeschoolleerling luisterend naar de naam Floris, maar die niets heeft met Blanchefleur, Rudolf Steiner en zijn leerlingen voor racistische idioten uitmaakt en een van die ‘idioten’ daar welwillend zijn oren naar laat hangen, krijg ik ondanks al mijn goede voornemens om vanwege een RSI niet meer te schrijven, hevige jeuk. Drie heikele thema’s binnen één week kan zelfs een zachtmoedig mens teveel worden. Tijd om even op het toetsenbord mijn jeuk weg te krabben. Die RSI loopt toch niet weg, die komt vanzelf wel terug’.
Tot mij zelf heeft hij zich niet direct gericht, al is zijn verhaal voor het grootste deel een aanval op mijn artikel. Ik heb wel en poging ondernomen om direct met hem te communiceren maar daar wilde hij niet op ingaan (hij reageerde slechts op Michel Gastkemper en had het daarbij vooral ‘over mij’, maar hij weigerde mij te woord te staan).  Na een paar dagen heeft hij zijn tekst verwijderd met de volgende boodschap: Naar aanleiding van zeven jaar “9/11″ heb ik enkele dagen geleden een artikel gepubliceerd over “heikele kwesties”. De reacties hierop waren zodanig, dat mijn artikel contraproductief heeft uitgepakt. Daarom heb ik de webmaster gevraagd het artikel van de site te verwijderen. Ik wens de heren Michel Gastkemper en Floris Schreve van harte succes met de voortzetting van hun weblog’.
Ik wil niet op alle details van zijn tekst ingaan, al heb ik de volledige tekst wel bewaard. Hij heeft hem niet voor niets teruggetrokken, dus het lijkt me dan ook niet zo zinvol en wellicht ook niet helemaal fair om hem volledig van repliek te bedienen (al vroeg zijn verhaal er wel om). Toch zijn er allerlei flarden van zijn verhaal op internet bewaard gebleven, veelal in weblogs van anderen, die hem hebben geciteerd en vervolgens bekritiseerd. Ik heb al deze fragmenten als reactie onder de tekst van mijn oorspronkelijke artikel geplakt, dus daar zijn ze nog te lezen (het was oorspronkelijk een verhaal van acht pagina’s, maar de stukken met kritiek op mij zijn ook elders in zijn geheel bewaard gebleven, dus dat gedeelte is compleet). Ik denk dat ik op wat ervan over is gebleven wel een reactie kan geven, dat lijkt me niet ongepast. Bovendien betrof zijn kritiek vooral mijn verhaal, dus het lijkt me dat ik gerechtigd ben om iets terug te zeggen.
Wat in dit verband zeker interessant is, is dat hij mij een heleboel literatuur van antroposofische zijde heeft aangeraden (die ik zou hebben ‘verzuimd’ te raadplegen). Heldens, in een elders (op de weblog van Michel Gastkemper nog bewaard gebleven fragment):

“Op zaterdag 6 september 2008 bracht Michiel Gastkemper op zijn weblog het verhaal van een 35-jarige oud-vrijeschoolleerling en kunsthistoricus, die door zelfstandig onderzoek tot de kloeke conclusie is gekomen dat de antroposofie racistisch en sektarisch is. Punt uit. Gastkemper is duidelijk ingenomen met Felix Schreve, want zo heet de persoon in kwestie. En ik lees graag de informatieve en goed geschreven weblog van Michiel Gastkemper. Maar ook het beste paard laat wel eens een vijg vallen, nietwaar?
“Volkomen integer” en “eerlijk onderzoekend en afwegend” noemt Gastkemper het lange stuk van Schreve met de al even lange titel: “Geloof in kabouters, Atlantis, Volkszielen en Wortelrassen en pas op voor Dark Lord Ahriman, zwart-magische constructies, de Luciferi-sche Verleiding, overkokende kliersystemen en de ‘Finsteren Saturn’; Rudolf Steiner en de antroposofie”.
Nieuwsgierig geworden, heb ik mij de moeite getroost – zo mag ik dat wel noemen – om dat onderzoeksverhaal over antroposofie helemaal uit te lezen. Afgaand op de titel dacht ik eerst nog dat het om een hilarische column ging, maar dat bleek niet het geval. Zo ‘open minded’ Floris Schreve is als het gaat om allerlei interessante vormen van kunst over de hele wereld – zijn website is een kleine goudmijn op dit terrein -, zo kleingeestig wordt hij als het gaat om antroposofie. Een veel voorkomend verschijnsel; een mens zit vol tegenstrijdigheden.
Schrijvers van het Belgische tijdschrift voor antroposofie, De Brug, blijken in de ogen van Floris lachwekkend domme Belgen te zijn. Op grond van passages in de zogeheten volkeren-cyclus wordt Steiner door hem ontmaskerd als een overtuigd racist. Niks ‘slip of the tongue’, niks koloniale tijdgeest van destijds of andere slappe excuses. Geen wonder dat veel antroposofen zich tegenwoordig geen raad meer met Steiner weten, meent hij. De naar zijn mening halfslachtige benadering in de eindrapportage van de z.g. Commissie van Baarda, ziet hij als een voorbeeld van die verlegenheid.
Michiel Gastkemper is duidelijk gecharmeerd van de fermheid van Schreve’s denkwijze. Het is sowieso overal ‘recht voor je raap’ wat de klok slaat. De nuance zoeken, ‘that’s just boring man!’ Maar als een kwieke jonge hond mij tegen de broek aanpiest, ben ik toch niet zo charmant om te zeggen ‘dank u wel, ga gerust uw gang!’ Ik ben in zo’n geval meer van “hee joh, doe effe normaal zeg!’
Floris Schreve noemt zichzelf “agnost/atheïst”. Ieder zijn meug natuurlijk, maar die overtuiging valt moeilijk te rijmen met onbevangenheid als het om ‘bijgeloof in iets bovennatuurlijks’ gaat. Zijn lange tirade tegen de antroposofie is dan ook geheel in de stijl van Simpos, die linkse bikkels van de harde actie tegen discriminatie, fascisme en racisme. Simpos staat voor “Stichting Informatie over Maatschappelijke Problemen rond Occulte Stromingen”. Samen met de wat chiquere academici van de Stichting Skepsis vormen zij de ‘ghostbusters’ van elke New-Agestroming die door middel van slimme indoctrinatie onschuldige burgers van hun gezonde verstand berooft. De antroposofie valt vanzelfsprekend ook onder die kwalificatie. Wat de Vereniging tegen de Kwakzalverij is op het gebied van de gezondheidszorg, zijn Simpos en Skepsis op het gebied van de levensbeschouwing.
‘Floris Schreve blijkt zich erg thuis te voelen bij de geschriften van Toos Jeurissen, Bram Moerland en Simposman Jan Willem de Groot. Tegen het eind van zijn stuk bedankt hij Bram Moerland en de weduwe van August de Roode vriendelijk “voor het aanleveren van hun materiaal”.
Wijlen August de Roode was vader van een kind op de Vrije School Meppel medio jaren tachtig. Hij stuitte meer of minder toevallig op passages in het werk van Rudolf Steiner die hij erg discriminerend vond. Hij eiste van de schoolleiding opheldering. Dat liep in 1985 uit op een vreselijke rel en August de Roode nam zijn kind van school. Inmiddels had hij zijn licht opgestoken bij ‘pacifist’ Gjalt Zondergeld, die hem volledig inwijdde in de geheime fascistische trekjes van Steiner en zijn aanhangers. August de Roode werd in 1986 samen met Evert van der Tuin en Gjalt Zondergeld auteur van het boekje: “Antroposofisch racisme. Als de blonden uitsterven zouden de mensen steeds dommer worden”. Aangezien mijnheer de Roode bij leven een ‘donkergekleurde medemens uit Suriname’ was, betekende alleen al zijn medewerking aan die publicatie een luide aanklacht tegen Steiner die ieder normaal denkend mens moest overtuigen. De kunst van propaganda maken verstonden Gjalt Zondergeld en ook Bram Moerland altijd uitstekend. In dit opzicht hebben zij in 1995 ook Toos Jeurissen – een pseudoniem overigens – doeltreffend geadviseerd.
‘Antroposofisch racisme’, dat is naar mijn mening een contradictie in terminis. Precies dat feit maakt de hele kwestie zo heikel. Er staan in Steiners werk immers passages die nu vanzelfsprekend heel anders beleefd worden dan in de tijd, dat deze werden uitgesproken. Floris Schreve meent echter – en hij is bepaald niet de enige – dat antroposofie identiek is met racisme.
Floris Schreve schijnt niet bekend te zijn met of niet geïnteresseerd te zijn in de artikelen van bijvoorbeeld Fred Beekers, Mark Bischot, Mouringh Boeke, Dieter Brül, Edith de Clerq Zubli, Stephan Geuljans, Walter Heijder, Hans Peter van Manen, Maarten Ploeger, Arnold Sandhaus en Wim Veltman, waarin de feitelijke onjuistheden en de tendentieuze interpretatie van de gewraakte teksten van Rudolf Steiner worden belicht, die bij Toos Jeurissen, Bram Moerland, Gjalt Zondergeld e.a. schering en inslag zijn. Halve waarheden zijn verwoestender dan kloeke leugens. Dieter Brüll karakteriseerde deze geestesstroming daarom treffend als “de nieuwe reactionairen”.

Een viertal correcties op de beweringen van Floris Schreve wil ik de lezer niet onthouden.

Wat de kritiek van Schreve op “De volkzielen” betreft, vind ik het artikel van Hans Peter van Manen: “Rudolf Steiners visie op volken en rassen” in de bundel “Antroposofie ter discussie” nog altijd zeer ‘to the point’. Niettemin schijnt die bundel in antroposofische kringen inmiddels als hopeloos gedateerd te worden beschouwd. Maar elk nadeel heeft z’n voordeel: in de ‘ramsj’ zijn nog enkele exemplaren te koop.
Wat het vaak bekritiseerde citaat betreft, waarin Steiner spreekt over de invloed van ervaringen van de moeder tijdens de zwangerschap op het embryo, waarbij hij als voorbeeld het lezen van destijds in de mode zijnde ‘negerromans’ noemde, zie Lorenzo Ravagli: “Negerromane – was meinte Steiner wirklich?“. Der Europäer, jrg. 5, nr. 5, pag. 19-21, maart 2001.
Over de eindeloos herhaalde zogenaamde antisemitische uitlating van Steiner uit 1888 schreef Boris Bernstein in het tijdschrift Der Europäer recent een verhelderend artikel met de titel: “Apropos 44: Wie gegen Rudolf Steiner agitiert wird“. De uitgever van het tijdschrift, Perseus Verlag te Bazel, bracht dit jaar een herdruk uit van de boeiende studie van Karl Heyer: “Wie man gegen Rudolf Steiner kämpft“.
En wat het vermeende ‘jatten’ van Steiner bij andere, eeuwenoude geestesstromingen betreft, leze men het slot van de Voorwoorden van juni 1913 en januari 1925 in Steiners boek “De wetenschap van de geheimen der ziel
Tot slot de hamvraag: welke vitale samenhang bestaat er tussen “De volkszielen” van Rudolf Steiner en de preventie van (staats)terrorisme? Als een epidemisch verschijnsel zie je op de Balkan, in Irak en in de Kaukasus immers niet langer meerdere volken, culturen en godsdiensten samenleven binnen één staatsvorm, maar elke etnisch-religieuze groep zijn eigen ministaatje opeisten in naam van het zelfbeschikkingsrecht der volkeren. Het zionistische Israël, dat het nagenoeg onoplosbaar geworden Palestijnenvraagstuk voortbracht en daardoor aan de wieg stond van het Arabisch terrorisme, lijkt het prototype te zijn geworden voor een nieuw verdeel-en-heers-systeem, dat door George Bush senior op 11 september 1990 in de aanloop naar de z.g. Golfoorlog in 1991 in een rede voor het Amerikaanse Congres en de Senaat te samen, The New Order werd genoemd. Niet het zelfbeschikkingsrecht van het menselijke individu, maar het misleidende ‘zelfbeschikkingsrecht der volkeren’ vormt de grondslag van die nieuwe wereldorde, die op zijn beurt de basis heeft gelegd voor de ‘botsende beschavingen’. Een gewaarschuwd mens telt voor twee!”

Tot zover Paul Heldens. Op het bovenstaande heb ik wel wat aan te merken, los van dat Felix Schreve mijn neefje van een jaar oud is. Het gaat hier echt om Floris Schreve. Er is een ding waarmee ik het roerend eens ben met Paul Heldens. Dat is dat het zelfbeschikkingsrecht van het individu ten principale voorop staat. Ben ik persoonlijk een groot voorstander van, al heb ik mijn twijfels of de antroposofie de weg is om die te realiseren. Maar dat is mijn ‘meug’.  En we hebben nu eenmaal te maken met volkerenrecht (toch handig om uiteindelijk het Midden Oosten probleem op te lossen), maar goed het gaat er nu niet om wat de beste weg naar de wereldvrede is.
Nu de kanttekeningen: Het citaat van de negerromans en de zwangere vrouwen heb ik inderdaad niet zelf gevonden bij Steiner. Wel is dit een van de weinige uitspraken van Steiner die door het van Baarda rapport is gekwalificeerd als ‘ernstig discriminerend’. Het gaat om het volgende citaat: ‘Aber wir haben ja sogar schon diesen Negerroman. Er ist urlangweilig, greulich langweilig, aber die Leute verschlingen ihn. (…) Da entsteht durch rein geistiges Lesen von Negerromanen eine ganze Anzahl von Kindern in Europa, die ganz grau sind, Mulattenhaare haben werden, die mulattenähnlich aussehen werden’. Ik heb dit teruggevonden in het artikel waar Paul Heldens naar verwijst, te lezen op http://www.perseus.ch/PDF-Dateien/batuala.pdf
Het oordeel van de Commissie van Baarda  luidde overigens: ‘Bezwaarlijk is Steiners opmerking dat blanke zwangere vrouwen mulattenkinderen zouden krijgen indien zij een ‘negerroman’ zouden lezen. Bovendien wordt de indruk gewekt dat het krijgen van een mulattenkind iets ergs is. Het is een verkeerd gekozen voorbeeld, in de context van een betoog over gevoelsbelevingen van de moeder tijdens de zwangerschap op de ongeboren vrucht. Het voorbeeld is zeer beledigend voor zwarten’ ( Eindrapport onderzoekscommissie p. 688). Hier wordt dus in antroposofische kring kennelijk verschillend over gedacht. Ook Thomas Höfer, van de wat meer progressieve lichting der antroposofen in Duitsland, noemt dit citaat en verwerpt het. Höfer: ‘Indianen stierven aan hun eigen natuur, vrouwen baarden door het lezen van negerrromans mulattenkinderen, de Franse taal is een leugentaal: Met het oog op deze en andere uitspraken kan men moeilijk ontkennen dat Steiners kennis van zwarten, Indianen en anderen, zelfs voor de toenmalige tijd, mild uitgedrukt niet bijzonder vooruitstrevend was’ (Jeurissen, p. 12, geciteerd uit ‘Flensburger Hefte’, no 41).
Maar heeft meneer Heldens gelezen wat ik over dit citaat heb geschreven? In ‘Geloof in kabouters…’: ‘De enige twee in opspraak geraakte Steinercitaten dat ik als uitglijders kan zien, dat wil zeggen, niet kan inpassen in zijn totaalvisie zijn: ‘Ik ben er persoonlijk van overtuigd, dat als we nog een paar negerromans te verwerken krijgen, en we geven die negerromans in de eerste tijd van de zwangerschap aan zwangere vrouwen te lezen, dan hoeven er helemaal geen zwarten meer naar Europa te komen om voor mulatten te zorgen – dan ontstaat puur door het geestelijk lezen van die negerromans een groot aantal kinderen in Europa die helemaal grijs zijn, mulattenhaar hebben, die er als mulatten uit zullen zien!’ (uit een lezing in Dornach uit 1922) en ‘Het Jodendom heeft zichzelf al lang overleefd, heeft geen rechtvaardiging binnen het moderne leven der volkeren, en dat is een fout van de wereldgeschiedenis, waarvan de gevolgen niet kunnen uitblijven. We bedoelden hier niet alleen de vormen van de joodse religie, maar vooral ook de geest van het Jodendom, de joodse manier van denken’ (bespreking van Baarda rapport p. 693-697). Nogmaals, wat betreft antisemitisme bij Steiner lopen de meningen uiteen (zie hierover dit Zwitserse artikel http://www.cjp.ch/artikel/anthroposophie.htm. Zie ook dit artikel over de kwestie in het Zwitserse Solothurn http://www.welt.de/welt_print/article1411569/Wie_antisemitisch_war_Rudolf_Steiner.html)’. Met de laatste opmerking is ook het door meneer Heldens aangezwengelde punt van dat ik Steiner van antisemitisme beticht afgehandeld. Ik laat die kwestie dus in het midden. Elders heb ik gezegd ‘Steiner heeft antisemitische uitlatingen gedaan, maar hij heeft zich ook tegen het antisemitisme uitgesproken’ (ik heb namelijk nog wat andere uitspraken gevonden, zie ‘Geloof in kabouters…’). Tamelijk genuanceerd toch? Eerst goed lezen, dan stampij maken, lijkt me. Antroposofen kunnen er soms ook wat van om willekeurige stukjes tekst eruit te plukken en vervolgens een keel opzetten, dat is niet slechts voorbehouden aan die vermalijde critici, ‘propagandisten’ en die ‘nieuwe reactionairen’. Zal ik hier later nog een paar leuke gevalletjes van laten zien.
Om verder nog een keer terug te komen op de ‘negerromans’, in een veel recentere publicatie (2002) stelt de door Paul Heldens zo gehekelde historicus Gjalt Zondergeld (verbonden aan de VU) dat er van plat racisme bij Steiner meestal geen sprake is. Alles is ingebouwd in zijn totale kosmologie. Alleen met dit citaat ‘valt hij echt door de mand’ (in ‘Goed en kwaad; vijftien opstellen’, p. 82). Ik moet zeggen dat ik me hier zeker in kan herkennen. Ik ben inderdaad tot dezelfde conclusie gekomen, overigens geheel onafhankelijk van Zondergeld, omdat ik toen dit recentere essay van hem nog niet kende.
Dan ‘de Brug’ het tijdschrift dat in mijn vorige beschouwing een prominente rol speelt. Ik geloof niet dat ik ergens de schrijvers van de Brug afdoe als ‘domme Belgen’. Mijn kritiek is inderdaad soms wat pittig, maar dat heeft meer te maken met de systematisch gebezigde Holocaustontkenningen, de regelmatig terugkerende antisemitische opmerkingen (’Joden die hun rasgenoten verraden’), de homohaat en andere plezierige geluiden in dat blaadje. Ook het permanente ge-Ahriman  (komt terug in zo’n veertig artikelen) maakt een ietwat sektarische, zo niet obsessief diabolisch gefixeerde indruk, toch wat grimmiger dan de schapenwollen engelen, het houten speelgoed en de zelfgedoopte waskaarsen, of zelfs de briljant geschminkte duivel van het Paradijsspel en het Driekoningenspel van mijn eigen vroegere Vrije School (heeft een grote indruk gemaakt). Ik kan hard lachen om de volgende tekst (wanneer het fenomeen ‘complot-theorieën’ ter sprake komt), maar het maakt wel een beetje een geschifte indruk: ‘Het verschil van al deze theorieën met de antroposofische interpretatie is dat wij aannemen dat er een geestelijk wezen aan de basis ligt van deze gang van zaken, terwijl niet-antroposofen de schuldigen ofwel zoeken binnen de aardesfeer (Vrijmetselaars, Loge, Illuminati, Zionisten, Kapitalisten) ofwel buiten de aardesfeer waar ze activiteiten van min of meer materiële intelligenties veronderstellen (UFO’s e.d.). Volgens ons zijn de organisaties en groeperingen die we zien werken in de richting van een wereld-termietenstaat ook maar uitvoerders van een bovenmenselijke intelligentie, nl. Ahriman’ (http://users.pandora.be/antroposofie/vanaf40/b48met/b48.htm#ahr). Ik wil hier als niet-antroposoof best verklaren dat ik in mijn hele leven nog nooit een UFO of de Illuminati ergens de schuld van heb gegeven en ik ken genoeg niet-antroposofen die dat ook nog nooit gedaan hebben, daar durf ik mijn hand voor in het vuur te steken. Had trouwens geen idee dat er een organisatie of een groepering achter de UFO’s zit. Zou best wel willen weten wie dat zijn. Maar ik moet dus begrijpen dat het die dekselse Ahriman weer is. Een soort Blofeld dus. Arme Zoroaster, had hij ooit kunnen vermoeden dat er eeuwen later dit soort teksten zouden circuleren toen hij het begrip Ahriman lanceerde? Voor wie mij nog steeds niet gelooft dat het er bij de Brug er zo woest aan toe gaat, bekijk zeker deze site, alleszins de moeite waard: http://users.telenet.be/antroposofie/diabasis/inhaztot.html. Lees anders als voorproefje het artikel met de titel ‘Ahriman; staat, multicultuur en Holocaust’ (directe link:  http://users.telenet.be/antroposofie/vanaf40/b46met/b46.htm) . Voor de duidelijkheid een uitgebreide uitsnede/citaat:

Behalve het seksuele aspect duikt hier terug een verwijzing naar het oude Egypte op :

“ Het bijna vensterloos gebouw, opgetrokken in Grieks-Egyptische stijl …”

In de opeenvolging der na-Atlantische cultuurperiodes zien we een spiegeling tussen de eerste en de zevende, de tweede en de zesde, en de derde (Egyptische-Babylonische) met onze vijfde na-Atlantische periode. Dat betekent niet dat de vijfde cultuurperiode een herhaling moet zijn van de Egyptische periode. Het moet een spiegeling zijn waarin het nieuwe element, de Christus-impuls, is opgenomen.

Ahriman doet zijn best om er een herhaling van te maken waarin iedere verwijzing naar Christus ontbreekt. Het lijkt er sterk op dat hij, de antichrist, daartoe zelfs een soort anti-religie in het leven heeft geroepen met als centrale geloofsartikelen : multicultuur en holocaust.

- multicultuur : de leugenachtigheid van dit ‘begrip’ werd nog maar eens gedemonstreerd n.a.v. de eventuele toetreding van Turkije tot de E.U. Overspel mocht er niet langer strafbaar zijn. Verschillende commentatoren wezen erop dat in het zakendoen en handeldrijven het naleven van een verbintenis vanzelfsprekend is terwijl nu ineens – wanneer het een persoonlijke vrijwillige verbintenis betreft o.m. tot huwelijkstrouw – een contract juist niet zou moeten nageleefd worden.
Matthias Storme in Doorbraak (nr. 9-oktober 2004):

”De grote meerderheid van de culturen beschouwt de naleving van de vrijwillig aangegane getrouwheidsplicht nog steeds als belangrijk voor de maatschappelijke orde en indien niet voor de materiële dan minstens toch voor de immateriële geestelijke huishouding des mensen. Maar de nieuwe hogepriesters van de “Eureligie” weten het natuurlijk veel beter: hun materialistische en familievijandige ideologie is de enige die nog toegelaten wordt. Dat een democratisch verkozen volksvertegenwoordiging in een ander land daar anders over denkt kan niet worden aanvaard; het begrip multicultuur mag immers alleen worden gebruikt om traditionele maatschappelijke instituties terzijde te schuiven, niet om ze te behouden natuurlijk.In de nieuwe “Eureligie” passen deugden als loyauteit natuurlijk niet meer en is trouw een verdacht idee uit een obscurantistisch verleden. Het idee dat men zich verbindt tot het vormen van een mede op trouw gebaseerd gezinsverband is voor die religie immers ondraaglijk: een mens moet immers geëmancipeerd worden uit al die knellende banden en voortdurend voor nieuwe consumptie-ervaringen kunnen open staan, voortdurend bereid zijn om op de markt zijn gebruikte goederen te vervangen door nieuwe, mooiere, modernere.”

- het fenomeen “holocaust”.
In de Westerse wereld staat het iedereen vrij om over een bepaald geschiedkundig feit te denken hoe hij wil. Komt iemand op het idee dat Napoleon nooit een veldtocht naar Rusland heeft ondernomen, en hij schrijft een boek met argumenten om die stelling te onderbouwen, dan kan hij dat doen. Maar er is 1 onderwerp dat niet meer mag onderzocht worden, en dat is de “holocaust”, het dogma van de systematische uitmoording van 6 miljoen Joden tijdens de Tweede Wereldoorlog.
Het is in de meeste Westerse landen bij wet verboden om aan dit “feit” te twijfelen.
Waarom alleen aan dit ‘feit’ ? Stalin en Mao zijn verantwoordelijk voor de dood van miljoenen mensen, maar niemand schijnt zich daar nog aan te storen. Waarom dan dit systematisch oprakelen en in beeld brengen van alleen de Duitse oorlogsdaden ?
Het kan niet anders of de Angelsaksische occulte loges weten dat voor hen een gevaar alleen uit Midden-Europa kan komen, en om bij voorbaat iedere werking van een spirituele impuls uit te sluiten werd en wordt Duitsland als de oorsprong van alle kwaad afgeschilderd.

Waar het Mysterie van Golgotha als centraal geestelijk gegeven in de ontwikkeling van de mensheid voor alle mensen een lichtend baken zou kunnen zijn dat iedereen verenigt in een gezamenlijk zoeken naar de juiste weg om de Christusimpuls in de wereld te realiseren, krijgen we nu een centraal on-geestelijk afstotingspunt, het zwarte gat in de mensheidsgeschiedenis waar iedereen in een grote boog moet omheen lopen en dat de mensheid verenigt in een gezamenlijke haat tegen …. de geestelijke impuls uit Midden-Europa ! Want het is niet toevallig dat met de holocaust een voortdurende haat tegen het Duitse volk in leven wordt gehouden, tegen Duitsland als een gebied waarvoor de mensheid moet oppassen en waakzaam blijven. Zelfs vóór de oorlog begon die haatpropaganda al.
Vroeger werden in de bioscopen altijd nieuwsfilmpjes getoond vóór de eigenlijke film begon. In 1981 overleed Jack Glenn, de man die deze filmpjes maakte in de Verenigde Staten. Af en toe liet deze man wereldgebeurtenissen door acteurs naspelen in een toneeldecor. Eén ervan was het filmpje “Inside Nazi Germany”, gedraaid in 1938. Het bevatte een scène van een concentratiekamp, voor een stuk gefilmd op Staten-Island met New-Yorkse acteurs. Een groot deel van de film was opgenomen in het Derde Rijk door een free-lance cameraman, maar Louis Rochement, de producer, had het gevoel dat die film gecensureerd was door de Duitse autoriteiten en beval Glenn om de Nazi-brutaliteiten zelf in scène te zetten. Miljoenen Amerikanen die deze nieuwsfilmpjes in hun plaatselijke bioscoop bekeken waren overtuigd dat ze de realiteit zagen. Hoeveel dergelijke realiteiten die we tegenwoordig voorgeschoteld krijgen zouden niet het werk zijn van filmkunstenaars ?
Feit is dat de Geallieerden na de oorlog Hollywood-producers huurden om propagandafilms te maken in plaats van het filmmateriaal van het leger te gebruiken.

David Irving geeft daarop volgende commentaar :

“Enkele jaren geleden kwam er op BBC2 geloof ik, een programma over de ‘documentaires’ van deze Glenn. Daarin werd onder meer onthuld dat de scènes van SA-bruinhemden die hun vijanden molesteerden in de straten van Berlijn en die de Joden in Wenen het voetpad deden opkuisen, gefilmd waren in de decors van Hollywood. Ook de Japanse soldaten die baby’s op hun bajonetten staken en andere wreedheden waren haatpropagandascènes uit Hollywood. Ik zeg niet dat die feiten zich niet werkelijk voorgedaan hebben. Maar moderne televisiemakers gebruiken nu die opnamen om hun eigen reportages mee te vullen, net zoals ze materiaal van de vroegere Sovjet-GPOE gebruiken als authentiek. Jarenlang hebben ze het publiek bedrogen en hun steentje bijgedragen opdat het wiel van de haat blijft draaien.”

Op de website van David Irving kan men overigens ook lezen hoe een filmploeg van het Amerikaanse leger de “ontdekking”van een zak met de gouden tanden van concentratiekampslachtoffers in de (lege) kluizen van de Reichsbank regisseerde. Een ander knap propagandastaaltje.

Waarom draaide Spielberg zijn film “Schindlers List” in zwart-wit ? Kort na het uitkomen van de film verklaarde de eerste cameraman in een Duits vaktijdschrift dat men opzettelijk een documentaire-indruk wou creëren opdat latere (nóg minder kritische – fdw) generaties gemakkelijker overtuigd zouden worden van het realiteitsgehalte.
De film is nochtans gebaseerd op een roman, het product van de fantasie van een schrijver dus, van Thomas Kenneally. Maar daar is ook iets raar mee gebeurd. Vooraan in de eerste editie van het boek, vóór de film gemaakt werd, leest men vijf keer het woord ‘fictie’. In de tweede editie nog drie keer, in de derde editie is er geen sprake meer van fictie, het boek verschijnt in de weekendbijlage van sommige kranten zelfs in de lijst “non-fictie” !

Waarom worden zgn. negationisten als Norman Finkelstein, David Irving, Robert Faurisson, Ernst Zündel zo hardnekkig vervolgd als de ketters destijds door de Inquisitie ? Om dezelfde reden als toen : ze hebben zichzelf buiten de gemeenschap der gelovigen geplaatst, de gelovigen die het dogma aanhangen : Duitsland is de bron van alle kwaad.

In Canada zit Ernst Zündel al 22 maanden (december 2004) in eenzame opsluiting wegens zijn overtuiging, hij heeft nog nooit een vlieg kwaad gedaan, maar wel zijn mening geuit. De rechtszaken tegen hem lijken zo uit boeken van Kafka te komen: de voormalige chef van de geheime dienst die hem jarenlang geschaduwd heeft is nu zijn rechter. Iedere vraag van de verdediging wordt verworpen omdat ze de nationale veiligheid in gevaar zou brengen.

De antichrist, die zo handig de zaken in hun tegendeel kan verkeren, probeert ook de Heilige Geest te vervangen door een zeer aards, zeer leeg gegeven, dat de naam holocaust heeft gekregen, weerom niet toevallig in het Engels klinkend als Holy Ghost.

Tot zover deze passage uit ‘de Brug’. Hier hebben we het dus over. Dus hier kritiek op hebben betekent kennelijk voor sommigen dat ik de auteurs van de Brug weglach als domme Belgen. Ik denk dat het bovenstaande voor zich spreekt. Ik hoop ook dat de meeste antroposofen, inclusief Paul Heldens, zich verre houden van dit soort praatjes over Ahriman, de multicultuur en de Holocaust. Sterker nog, het lijkt mij genoeg reden voor de gemeenschap der antroposofen om zich definitief van tijdschrift de Brug te distantiëren. Hoe je ook over de kwestie ‘wel of geen rassenleer’ mag denken, dit heeft niets meer met Steiner te maken en is wat mij betreft niets anders dan ‘revisionisme’, zoals dat in extreem rechtse kring heet. David Irving is overigens een beruchte Holocaustontkenner en wordt normaal alleen in neo-nazi kringen serieus genomen. Hij werd onlangs in Oostenrijk voor drie jaar gevangenisstraf veroordeeld (zie  http://nl.wikipedia.org/wiki/David_Irving of http://www.skepsis.nl/irving.html, in het laatste artikel wordt ook verwezen naar de bovengenoemde zaak van Ernst Zündel). Los van wat je daar weer van mag vinden,  zegt het wel iets over in welk vaarwater de Brug zich begeeft. Bijna alle andere hier aangeprezen auteurs zijn overigens van dezelfde slag, behalve Norman Finkelstein, die niet in dit rijtje thuishoort. Finkelstein is een Amerikaanse schrijver van Oost Europese Joodse afkomst, waarvan de ouders in Auschwitz hebben gezeten, maar die vindt dat de Holocaust wordt misbruikt om de Israëlische politiek naar de Palestijnen te vergoelijken, zoals hij uiteen heeft gezet in zijn boek ‘The Holocaust Industry’. Een soort Amerikaanse versie van ‘Een ander Joods geluid’ dus. Weerzinwekkend trouwens dat hij in dit Holocaustontkenners verhaal wordt misbruikt. Over propaganda gesproken.
Vanzelfsprekend heeft mijn  kritiek dus niets te maken met de Belgische afkomst van de auteurs, voor mij beslist geen reden om iemand als ‘dom’ te kwalificeren. Dan zou ik immers hetzelfde doen als wat ik nu juist de antroposofen verwijt: generaliseren naar ras, etnische afkomst of in dit geval nationaliteit. Bij de Brug wordt er juist op meer plaatsen over geklaagd dat België geen ‘Volksstaat’ is  Zie bijvoorbeeld het artikel ‘België, een zwart magische constructie’, waar overigens gesproken wordt van Baälgië, een leuke toespeling op de Phoeninische God Baäl, overigens geen vriend van de sofen, maar dat weet meneer Heldens vast ook wel (http://users.telenet.be/antroposofie/vanaf40/b45.htm). Deze site is dus eerder beledigend voor de Belgische nationaliteit, dan mijn beschouwing  Maar goed, daar gaat het mij dus niet om. Het gaat wel mij om de bijna ‘neo-nazistische’ inhoud. Moet ik het een keer herhalen? Over ‘Joden’ die ‘als het ze uitkomt even goed hun rasgenoten verraden’, in het artikel ‘Het Ahrimanisch menstype’ (http://users.telenet.be/antroposofie/vanaf40/b45.htm).  Waarom zegt niemand uit antroposofische kring hier iets van? Dit lijkt me veel besmeurender dan die paar kritische stukjes van mij,  van ‘die linkse bikkels van Simpos’ of de ‘propaganda’ van Zondergeld en Moerland.
Dan de connectie met  August de Roode. Ik ben, door een toevalligheid die zelfs geheel los staat van de kwestie ‘antroposofie’, goed bevriend met de vroegere echtgenote van August de Roode, (August de Roode zelf heb ik overigens niet gekend) en ik meen te weten hoe deze ‘rel’ echt in elkaar heeft gezeten. Dat is een beetje anders gegaan dan Paul Heldens het weergeeft, maar dit lijkt me niet de plek om daarop in te gaan. De kwestie is bijna te ordinair, juist vanuit antroposofische zijde. Bovendien zijn de belangrijkste betrokkenen inmiddels overleden (August de Roode zelf en de belangrijkste, overigens prominente persoon uit de antroposofische beweging in Nederland met wie hij een ‘conflict’ heeft gehad), dus het lijkt me voor alle betrokkenen beter dat ik deze kwestie op deze plek in het midden laat. Toos Jeurissen heeft deze affaire overigens geheel naar waarheid beschreven (en ik heb hele goede redenen om te zeggen dat dit de juiste versie is)  in ‘Antroposofie en racisme’, in de Groene Amsterdammer van 5 februari 1997. Wie wil weten hoe dit allemaal echt is gegaan moet dat artikel nog maar eens lezen (te vinden in het digitale archief van  de Groene Amsterdammer, moet overigens wel opgevraagd worden: http://www.groene.nl/1997/6/Een_kruistochtantroposofie_en_racisme/4 ).
In ieder geval wil ik Paul Heldens  wel bedanken voor zijn uitvoerige literatuursuggesties, hoewel het moeilijk is om een aantal artikelen nog te bemachtigen (zijn literatuurlijst is ook niet echt up to date te noemen en het meeste is meer dan tien en soms zelfs meer dan twintig jaar oud). Ik neem de uitdaging graag aan. In een aantal gevallen is mij dit wel gelukt om de door hem aangeprezen bronnen in handen te krijgen. Het gaat om de bundel ‘Antroposofie ter discussie’ (onder redactie van Jelle van der Meulen) en om een serie gebundelde artikelen uit het Nederlandse antroposofische tijdschrift ‘Driegonaal’ over de racisme kwestie, waar Heldens veelvuldig naar verwijst. Het lijkt me interessant om dit materiaal te wegen tegen de bronnen die ik in ‘Geloof in kabouters …’ heb gebruikt, al zal vaak genoeg blijken dat deze artikelen grotendeels niet relevant zijn voor mijn stuk. Het gaat vooral om oude polemieken tegen een artikel van Evert van der Tuin en Gjalt Zondergeld, ‘De schaduwkanten van de antroposofie’, verschenen in ‘t Kan anders, in najaar 1984 (?!). Net alsof het debat toen is stil blijven staan. Met andere woorden, geen Jeurissen, geen Wiechert met Ajax en Wounded Knee op de radio en geen van Baarda Rapport. Het zeer gedateerde aspect van Paul Heldens repliek zal via deze bronnen vanzelf zichtbaar worden. Maar ik vrees dat ook de accenten op iets anders komen te liggen dan waar Paul Heldens het over heeft.  Er is één door Heldens aanbevolen bijdrage die er zo uitspringt in extremiteit, dat die een geheel aparte bespreking verdient, al is er al veel vaker kritiek op afgevuurd (vooral door Moerland en Jeurissen). Het betreft de bijdrage van Maarten Ploeger in ‘Antroposofie ter discussie’, eerder ook verschenen in de ‘Jonas’. De kritiek van Jeurissen en Moerland betrof vooral verschillende losse uitspraken, maar het is ook absoluut de moeite waard om het geheel een keer te behandelen. Dit stuk is zo uniek dat ik er een apart gedeelte aan zal wijden (direct hieronder). Zoiets krijg je zelden in handen. Bij deze mijn follow up. Met dank aan Paul Heldens.

De bijdrage van Maarten Ploeger in ‘Antroposofie ter discussie’

In 1985 verscheen ‘Antroposofie ter discussie’ , onder redactie van onder meer Jelle van der Meulen ( in het Nederlandse antroposofische circuit vooral bekend als redacteur van het tijdschrift ‘Jonas’), met bijdragen van een aantal auteurs die actief waren in verschillende antroposofische werkgebieden, als Willem Veltman, Bernard Lievegoed ea. De bundel behandelt verschillende thema’s en werkgebieden waarin de antroposofie actief is en waarin deze ook niet vrij is van enige controverse. Al deze verschillende hoofdstukken zijn toenterijd ook als artikel in de Jonas verschenen. Omdat er toen ook al enige ontwikkelingen waren in de racisme affaire, zijn er ook twee bijdragen die deze thematiek behandelen, een van Maarten Ploeger ‘Racisme en antroposofie’ en een van Hans Peter van Manen ‘Rudolf Steiners visie op volken en rassen’. Hoewel de titel van deze bundel ‘Antroposofie ter discussie’ is, wordt op alle gebieden door de diverse auteurs uitsluitend het antroposofische standpunt verdedigd. In de woorden van Bram Moerland: ‘In het boek Antroposofie ter discussie heb ik niets kunnen terugvinden van enige kritische zin jegens Steiner. De antroposofie staat in dat boek helemaal niet ter discussie. Die wordt door dik en dun verdedigd. Steiner heeft gewoon gelijk. Maarten Ploeger beklaagt zich in zijn bijdrage zelfs over de kritiek op de racistische uitspraken van Steiner die hij in de antroposofie ontmoet en schrijft: ‘Het valt niet mee om tegendraads te blijven nadenken over kwesties als het ontstaan en de betekenis van rassen en volkeren’ (Moerland, Rassenleer met charisma, p. 16, citaat Antroposofie ter discussie, p. 37). Ik vrees dat Moerland hier inderdaad weer een punt heeft. Overigens, speciaal voor de Commisie van Baarda, Moerland citeert hier tot op het niveau van de spaties correct. Tot zover Moerland en verder met de bijdrage van Ploeger, want daarna wordt het pas echt interessant: ‘Iedereen die zich op de hoogte stelt van de levensomstandigheden van bijvoorbeeld de Derde-Wereldburgers, weet dat het behoren tot een bepaald ras niet zonder gevolgen is. Maar het is al een taboe geworden daar anders over te spreken dan in puur economische-materiële zin. De oorzaak daarvan moet worden gezocht in de wijd verbreide opvatting dat iedereen zich in principe op dezelfde wijze kan ontplooien, mits de milieufactoren als opvoeding, onderwijs en materiële welvaart over de hele wereld volledig wordt gelijkgeschakeld. Dit geldt gelijkelijk voor twee Nederlanders, als voor een zwarte en een blanke. Een vergelijkbare opvatting kan worden gevonden in het radicale feminisme: corrigeer met alle kracht het foute denkbeeld dat de vrouw qua menselijke mogelijkheden verschillend zou zijn van de man (de ideologie van ‘het kleine verschil’, dat is verschil in louter voortplantingsfunctie)’ (p. 37-38).
Ploeger houdt hier verder een pleidooi voor het opwaarderen van de erkenning dat er rasverschillen zijn. Het wegkijken ziet hij als een vorm van struisvogelpolitiek. Het gaat hem er niet om dat het ene ras beter is dan het andere, hij stelt wel dat ieder ras over verschillende kwaliteiten beschikt. Zolang wij dat niet durven inzien of benoemen zullen wij op mondiaal niveau voor dezelfde problemen blijven staan en zijn we dus op een verkeerde manier bezig. ‘Problemen worden niet opgelost door ze te ontkennen, maar onder ogen te zien’ vindt Ploeger, wat betreft de verschillen tussen rassen (p. 39-40).
Ploeger meent een bondgenoot te vinden in Leopold Sédar Senghor (1906-2001), de eerste president van Senegal. En zijn notie van ‘négritude’ ziet Ploeger als een bevestiging van de antroposofische kijk op het zwarte ras. Dit punt is interessant en verdient wellicht serieuze aandacht, al ben ik van mening dat Ploeger hier een cruciale denkfout maakt. Allereerst was Senghors notie natuurlijk ingegeven om zich af te zetten tegen het onvermijdelijke racisme van de koloniale tijd. Dit was overigens niet uniek voor Senegal, of zelfs Afrika, maar soortgelijke idealen of ideologieën hebben overal in voormalig koloniaal bestuurde landen bestaan Zie bijvoorbeeld zelfs een soort opgelegde ‘1001 nacht romantiek’ in de kunsten van het Irak van Saddam Hoessein tot en met de krankzinnige herbouw van Babylon met portretten van Saddam als Nebukhadnezar, de zg turath-cultuurpolitiek (‘turath’ betekent ‘erfgoed’ in het Arabisch), die ik elders weleens ‘zelfbevestigend oriëntalisme’ heb genoemd. Idi Amin, met zijn gebral dat de Egyptische beschaving in Oeganda is ontstaan, is ook een goed voorbeeld, al kun je Senghor overigens niet op een hoop gooien met beide dictators. Bovendien was Senghors notie van Negritude ‘cultureel’ van aard en niet ‘raciaal’ of racistisch, althans niet bedoeld. Dat zijn Steiners opvattingen over het zwarte ras namelijk wel. Ik denk niet dat de tekst: ‘Alles, was der äthiopische Rasse ihre besonderen Merkmahle verleiht, das kommt davon her, daß die Merkurkräfte in dem Drüssensystem des betreffende Menschen kochen und brodeln. Das kommt davon her, daß sie auskochen, was die allgemeine, gleiche Menschengestalt zu besonderen der äthiopischen Rasse macht-mit der schwarzen Hautfarbe, dem wolligen Haar usw.’ (die Mission, p. 116) in overeenstemming zijn met Senghors ideologische notie van ‘négritude’.
Waar stond Senghor dan wel voor? Négritude was voor Senghor een attitude, een cultuuruiting, voor degenen die oorspronkelijk stammen uit het Afrikaanse continent om zich af te zetten tegen de Europese cultuur, die vanwege het kolonialisme zo lang dominant geweest was. Eigenlijk een onderdeel van een bevrijdingsideologie, vergelijkbaar met Ghandi’s oproep om weer traditionele kleding te gaan dragen in plaats van  westerse. Daarmee overigens ook een neo-beweging, niet zozeer een voortzetting van een oorspronkelijke locale traditie. Het was namelijk bedoeld voor iedereen met ‘Afrikaanse roots’. Een soort ‘Pan-Afrikanisme’ dus. Kortom, ondenkbaar zonder het Europese imperialisme, al zette het zich er wel tegen af. Senghors vond dat négritude zich vooral cultureel moest manifesteren. Vreemd genoeg noemde hij als voorbeeld de kunst van Pablo Picasso. De manier waarop Picasso zijn Catalaanse wortels in zijn modernistische kunst wist te vertalen vond hij de ideale manier waarop zwarten, waar dan ook ter wereld, hun roots zouden moeten onderzoeken, om vervolgens een vertaalslag te maken naar de eigen tijd (uit: Petra Heemskerk, Moderne kunst uit Senegal1960-1980, in Decorum, nr. 1+2, vakgroep kunstgeschiedenis, Universiteit Leiden, p. 57). Senghor beschouwde négritude in de eerste plaats als een keuze en een levenshouding, natuurlijk niet als iets dat biologisch, laat staan astrologisch bepaald was (zie Steiners opvattingen).
Van belang is wellicht om kennis te nemen van de kritiek op Senghors identiteits- en cultuurpolitiek. In Culture and Imperialism wijdt Edward Said  hier een lange passage aan Hij haalt hier onder meer de kritiek van de beroemde Nigeriaanse schrijver Whole Soyinka aan, Nobelprijswinnaar voor de literatuur in 1986. Said: ‘Nativism (een begrip van de Duitse filosoof Theodor Adorno, daar is ie weer, en ik denk dat de term voor zich spreekt, FS), alas, reinforces the distinction even while revaluating the weaker or subserviant partner. And it has often led to compelling but demagogic assertions about a native past,  narrative or actuality that stands free from worldly time itself. One sees this in such enterprises as Senghor’s négritude, or in the Rastafarian movement, or in the Garveyite back-to-Africa project for American Blacks, or in the rediscoveries of various unsullied, pre-colonial Muslim essences (…) A useful way of getting a better hold of this analytically is to look at an analysis of the same problem done in the African context: Whole Soyinka’s withering critique of négritude published in 1976. Soyinka  notes that the concept of négritude is the second, inferior term in an opposition-European versus African-that  ‘accepted the dialectical structure of European ideological confrontations but borrowed from the very components of its racist syllogism’. Thus Europeans are analytical, Africans ‘incapable of analytical thought. Therefore the African is not highly developed’ whereas the European is. The result is, according to Soyinka, that ‘Négritude trapped itself in what was primarily a defensive role, even though its accents were strident, its syntax hyperbolic and its strategy aggressive…Négritude stayed within the pre-set system of Eurocentric intellectual analysis of both man and his society, and tried  to re-define the African and his society in those externalized terms’ (Culture and Imperialism, p.276-277).
Duidelijk is dat, ondanks de fundamentele kritiek van Said en Soyinka, Senghors opvattingen meer te maken hebben met identiteitspolitiek (en wellicht een spiegelbeeld is geworden van de racistische opvattingen van de kolonisator) en toch echt onmogelijk gezien kunnen worden als een rechtvaardiging van Steiners rassenleer, die ‘biologisch’ en occult van aard is. Ploeger weet nog te melden: ‘Senghor was naar westerse maatstaven een ontwikkeld man; hij studeerde in Parijs. Hij kende de westerse cultuur van binnenuit en begreep dat het westen zijn negroide cultuurfilosofie, door het structurele onvermogen om zijn ervaringen mee te beleven, haast wel moest afwijzen. Hij vroeg echter ruimte voor zijn cultuurideaal: het naast elkaar waarderen van verschillende bewustzijnskwaliteiten’ (p. 42). Het spijt me voor Maarten Ploeger maar ik denk dat Edward Said en Whole Soyinka de ‘Négritude’ beter weten te verklaren (namelijk vooral als iets typisch ‘westers’) dan dat de verklaring of rechtvaardiging moet worden gezocht in Steiners rassenleer uit de Volkszielen. En bovendien, sinds wanneer is de oproep tot cultureel pluralisme en diversiteit een rechtvaardiging voor determinisme naar raciale achtergrond? Net alsof multiculturalisme hetzelfde is als Apartheid.
Wat heeft Ploeger ons nog meer te vertellen? ‘We lichten er hier drie van de vijf rassen uit: negers, blanken en indianen. Want met name de passages uit De Volkszielen die hiernaar verwijzen, blijken vaak op onbegrip te stuiten. Het negerras beheerst bij uitstek de psychische vermogens van het heel jonge kind. Het blanke ras die van de middelbare leeftijd. Het indiaanse ras sluit de rij met de ouderdom. Let wel: niet de neger is een kind, maar de mens met een lichamelijk instrument dat ontleend is aan het zwarte ras, heeft innerlijke mogelijkheden die we kunnen begrijpen als we kijken naar het karakteristieke van de leeftijdsfase tot het zevende jaar’ (p. 42). Dit is dus weer een herhaling van wat er in de Volkszielen staat in wat andere formulering. Steiner:  ‘Das was wir Schwarze Rasse nennen, ist im wesentlich durch diese Eigenschaften (die Kindheitsmerkmahle) bedingt’ (‘Die Mission’, p. 79).Waarom wil iemand (Paul Heldens) dat ik deze uitleg van Ploeger lees of meeweeg om tot een afgewogen oordeel te komen?  Dit is toch al behandeld door Jeurissen? Die Ploeger overigens ook weer tot op de letter correct citeert (je moet het er bij blijven vermelden). Terecht commentaar van Jeurissen: ‘Hier wordt dus eenvoudigweg beweerd dat het geestelijke ontwikkelingsniveau van volwassen zwarten te vergelijken is met dat van blanke kinderen van zeven jaar. Hij zegt het wel zo ingewikkeld dat je het bijna niet begrijpt, maar dat is wel wat er staat’ (Jeurissen p. 5). Punt gemaakt en ik ben het er roerend mee eens.
Verder is de bijdrage van Ploeger niet meer zo bijster spannend. Het is heel veel van hetzelfde en ook nog flinterdun. Ik kan het hier wel allemaal gaan uitschrijven, maar dat zal niet zoveel veranderen. Het is gewoon een racistisch verhaal, geschreven ter verdediging en met onvoorwaardelijke instemming van Steiners rassenleer uit ‘de Volkszielen’. Dat is eigenlijk alles. Ik heb ook een vermoeden dat het misschien wel vanwege deze verkwikkende  bijdrage is, dat deze bundel inmiddels in antroposofische kring als verouderd wordt gezien. Er is al zo vaak op geschoten en iedere keer met succes. Zo gênant is dat verhaal van Ploeger namelijk wel. Misschien was die truc met Senghor nog het enige slimmigheidje, maar die is bij deze ook uit de lucht geschoten. Alleen een Paul Heldens ziet er kennelijk nog wat in. Maar het stuk van Ploeger is zo slecht dat het ook al het andere uit deze bundel de nek omdraait. Alleen bij ‘de Brug’ maken ze het nog bonter.
Vooruit, uit een passage valt nog wat eer te behalen. Net als Christoph Wiechert brandt ook Maarten Ploeger zijn vingers aan Wounded Knee. Eerst legt Ploeger uit dat de Indiaan, zelfs al op jonge leeftijd, opvallende gelijkenissen vertoont met een bejaarde. Ploeger: ‘Er blijkt zelfs een opmerkelijke affiniteit te bestaan tot grensoverschrijding tussen leven en dood. Al in een vroeg leeftijdsstadium vertonen indianen scherp getekende gelaatstrekken. Bij de prairie-indianen werd een belangrijkste krijgers inwijding gevonden in strijdsituaties met een welhaast zeker dood voor ogen (de eer behalen door een gewapende vijand aan te tikken met een stok)…(…) Met deze karakteristieken voor ogen kan Steiners uitspraak in de Volkszielen (vrij weergegeven): ‘De indianen moesten uitsterven en de kolonisten waren het uiteindelijke instrument’, in en juist daglicht worden gesteld. Het is allerminst een excuus voor het botvieren van de blanke moordcapaciteit; die schuld hebben wij hoe dan ook op ons geladen (evenmin kan de nog steeds voortgaande uitroeiing van de Amazone-indianen hiermee op welke wijze dan ook aanvaardbaar worden gemaakt). Zoals een ouder mens aan een op zichzelf niet zo dramatische ziekte licht kan bezwijken, zo betekende de confrontatie met de blanke expansiedrift voor de indianen meer dan een reeks ongelijke oorlogen. De indiaanse cultuur had à priori de bevattelijkheid om hieraan te gronde gaan (zie bijvoorbeeld de Wovoka-episode, uitmondend in de ‘zelfdestructie’ onder leiding van Sitting Bull bij Wounded Knee)’. (p.43-44)
Wellicht is het zinvol om een paar foto’s te tonen van de  dode lichamen die na de slachting op karren naar het massagraf werden gereden (zie link  http://hoist.hrtc.net/~wbt/woundedknee.htm ), overigens geheel ten overvloede, de foto’s zijn schokkend. Maar misschien dat het dan wat minder een abstractie wordt waar de heren Ploeger en Wiechert vrijblijvend hun semi-wijsheidjes over menen te moeten spuien. Wat de Belgische antroposofen van de Brug met de Holocaust hebben, hebben sommige Nederlandse antroposofen met Wounded Knee. Verder blundert Ploeger al in het vermelden van de juiste feiten (het was niet onder leiding van Sitting Bull, want die was daarvoor al vermoord), laat staan dat hij dan in staat zou kunnen zijn om de ‘kosmische noodzaak’ van ‘Wounded Knee’ uit de doeken te doen. Er was ook geen sprake van zelfdestructie, want de kogels kwamen uit twee Hotchkiss kanonnen, op bevel van Kolonel James W. Forsyth opgesteld op de heuvel boven de vallei, waar een ongewapende menigte van tussen de driehonderd en driehonderdvijftig Minneconjou Lakota werd uitgemoord, zonder aanzien des persoons, op 29 december 1890 (feiten zijn toch belangrijk, al lijkt meneer Ploeger daar niet zoveel om te geven. Die zoekt het meer in de ‘grote lijnen’ en de achterliggende ‘wetmatigheden’).  Stamhoofd Big Foot, want die was het, dus niet Sitting Bull, leed op dat moment aan een zware longontsteking en was eigenlijk doodziek. Berucht is de foto van zijn door de strenge vorst bevroren lichaam, in een verwrongen houding in de sneeuw. Ik zou wellicht wat literatuur en andere bronnen kunnen aanraden over de toedracht en de achtergronden van deze massaslachting, maar het lijkt mij het beste en ook wel zo kies als bepaalde Nederlandse antroposofen voortaan hun mond houden over de kwestie Wounded Knee. Dan gebeuren er tenminste geen ongelukken.
Aan het eind van dit onfrisse verhaal zegt Ploeger, nu kennelijk in de hoedanigheid van rassenveredelaar: ‘De opheffing van de fysieke verschillen tussen de rassen gaat onherroepelijk door. Er is nog maar weinig tijd om hier juist op te antwoorden. Dit antwoord moet grotendeels nog gevonden worden. Schrijver dezes heeft het voornemen tot een uitvoeriger publicatie te komen, in een poging hieraan verder te werken’.
Bij mijn weten is die publicatie er nog niet gekomen. Houder van deze webstek heeft echter het voornemen om die publicatie op gepaste wijze te recenseren, mocht het ooit zover komen, al denk ik dat de heer Ploeger het maar beter kan laten.

Afb_zondergeld_van_der_tuin_2

Illustratie bij Gjalt Zondergeld, Evert van der Tuin, ‘De schaduwkant van de antroposofie’,  in ‘t Kan anders, najaar 1984. Oorspronkelijk uit Hermann Poppelbaum, Zur Metamorphose der Menschengestalt, in ‘Gäa-Sophia, Jahrbuch der Naturwissenchaftlichen Section der Freien Hochschule für Geisteswissenschaft am Goetheanum Dornach’, Band 3, Volkerenkunde, Stuttgart, Den Haag, Londen, 1929. Dat deze tekening al op een suggestieve manier racistisch is lijkt mij niet moeilijk aan te tonen. Ik denk dat ik voor uitleg slechts naar de bovenstaande citaten uit de Volkszielen hoef te verwijzen, hoewel Maarten Ploeger het ook kernachtig weet te verwoorden. Hoezo is er ‘géén sprake van rassenleer’ of sterker, is ‘antroposofisch racisme een contradictio in terminis’ (in de woorden van Paul Heldens)?

Antroposofie ter discussie 2; de bijdrage van Hans Peter van Manen

Dan nu de belangrijkste bijdragen die mij door Paul Heldens zijn aanbevolen. Het gaat hier om een vracht aan reacties uit de antroposofische hoek uit de jaren tachtig op slechts één artikel, dat ik overigens niet voor ‘Geloof in kabouters’ heb gebruikt. Het betreft een beschouwing van de historici Gjalt Zondergeld en Evert van der Tuin, ‘De schaduwkant van de antroposofie’ in ‘t Kan Anders , een tijdschrift van de Vredesbeweging. Hoewel het hier niet eens om een heel uitvoerig artikel gaat, is er vanuit antroposofische hoek een stortvloed van reacties gekomen. De bijdragen van de door Paul Heldens genoemde auteurs Hans Peter van Manen, Mark Bischot, Dieter Brüll (die van de ‘nieuwe reactionairen’), Jan Luiten, Fred Beekers, Mouringh Boeke en Arnold Sandhaus gaan over dit ene stuk. Verder is er ook wat kritiek op Bram Moerland, wiens brochure ik wel als bron heb gebruikt in ‘Geloof in kabouters…’. Het is wel ronduit verbijsterend dat in 2008 deze reacties op een artikel uit 1984 voor Paul Heldens nog steeds zo belangrijk zijn, omdat het debat sinds die tijd zich wel een beetje verder heeft ontwikkeld, tot en met het omvangrijke van Baarda rapport. Het gaat hier voorlasnog om de bijdrage van Hans Peter van Manen, expliciet aanbevolen door Paul Heldens, zoals we eerder hebben gezien.
Eerst het gewraakte artikel van Zondergeld en van der Tuin zelf (van Manens verhaal is een reactie op dit artikel). Zij beginnen met de stelling dat steeds meer ‘progressieve mensen’ zich aangetrokken voelen tot de biologisch dynamische landbouw (zij schrijven overigens hier ‘biologies dynamies’, in die zin is het wel erg gedateerd, gezien de ‘ideologiese’ spelling uit die dagen. Ze zijn dus heel erg ‘krities’). Daardoor is er steeds meer belangstelling gekomen voor andere aspecten van de antroposofie, zoals de vrije scholen, waarvan het aantal ‘eksplosief’ is toegenomen (ik zal er nu mee ophouden, maar het geeft wel aan van hoe lang geleden dit is en dat deze beschouwing enigszins onderhevig was aan de mode van die tijd). Zij noemen verder nog dat er een opinieblad is (Jonas), een kinderziekenhuis, instellingen voor gehandicapten, etc.
‘De Volkskrant (3-11-1984) spreekt terecht van een kleine antroposofische zuil. En dat in een tijd van ontkerkelijking en ontzuiling. De laatste jaren oefent de antroposofie een grote aantrekkingskracht uit op linkse en progressieve mensen’.
Over het Vrije School onderwijs schrijven zij: ‘De leerlingen krijgen een totaalpakket aangeboden, waaraan zij zich nauwelijks kunnen onttrekken. Een onderwijspakket, waarin geloof in reïnkarnatie, karma (Indisch noodlot), aura (onzichtbare uitstraling van ieder mens als ‘tastbaar’ bewijs van zijn geesteslichaam) en allerlei andere totaal onbewezen occulte zaken langzaam maar heel zeker de kinderen wordt ingegoten’ (p. 49).
Hans Peter van Manen zegt in ‘Antroposofie ter discussie’ terecht: ‘Dit is van a tot z de allergrootste kolder. De enige vraag zou kunnen zijn wie dit uit zijn duim heeft gezogen: de auteurs of een kwaadwillende informant’ (p. 47). Hierin moet ik van Manen gelijk geven, als ervaringsdeskundige kan ik mij niet herkennen in het bovenstaande beeld. Zonder meer een punt voor van Manen.
Maar dan vervolgen Zondergeld en van der Tuin: ‘Ook het geschiedenisonderwijs- voor zover dat volgens de voorschriften van Steiner gegeven wordt en dat is volgens ons onderzoek niet altijd het geval- kenmerkt zich door de meest onwaarschijnlijke onzin. Atlantis heeft een miljoen jaar bestaan. Een reeds lang en breed achterhaald bijgeloof dat ook door Mellie Uyldert wordt aangehangen, die zich daarbij beroept op nazi-historicus/charlatan Hermann Wirth’ (p. 49).
En nu het meest interessante, over deze laatste passage zwijgt van Manen, terwijl het in de direct opvolgende zin staat. Dit laatste is namelijk wel waar. Dat van die Nazi historicus en Mellie Uyldert weet ik niet direct (de schrijfter en astrologe Mellie Uyldert is een beruchte randfiguur binnen de Nederlandse antroposofie, die de Holocaust ‘kharmisch’ weet te rechtvaardigen omdat ‘Joden er zijn om te lijden’ en van ‘Christus stierf voor ons en zij sterven nog steeds met hem mee’, kom ik later op terug). Maar dat je leert dat Atlantis heeft bestaan klopt, zeg ik wederom als ervaringsdeskundige (al ligt de bron daarvan natuurlijk bij Steiner zelf en niet bij een of andere Nazi-historicus, al wil ik meteen geloven dat Mellie Uyldert zich daar maar al te graag op beroept. Overigens stellen Zondergeld en van der Tuin dat Zeylmans van Emmichoven zich wel op deze Hermann Wirth beroept. Als dat zo is verdient dat zeker nader onderzoek). Zo begon mijn eerste periode geschiedenis in de vijfde klas van de lagere school. Over Manu die het verzinkende Atlantis wist te ontkomen en de beschaving naar het oude India bracht.
Wat laat dit voorbeeld van close reading van deze twee bronnen ons zien? In ieder geval dat van Manen hier selectief citeert. Nu is citeren per definitie selectief, maar dit is overduidelijk ‘opzettelijk’ selectief citeren. Zoiets heet manipuleren. Van Manen had ook kunnen zeggen: ‘wat zij over occultisme op school uitkramen is van a tot z de grootste kolder, maar wij leren onze kinderen wel over het bestaan van Atlantis. Wij antroposofen geloven namelijk dat Atlantis heeft bestaan, zoals Rudolf Steiner dit talloze malen uiteen heeft gezet in oa zijn ‘Akasha Kroniek’. Het is misschien een kinderachtig voorbeeld en in dezelfde zin wordt na een zij het niet onbelangrijk detail (dat je op de lagere school leert dat Atlantis heeft bestaan is wel significant) dat gewoon wel klopt meteen weer onzin beweerd. Heel erg spijkers op laag water zoeken dus, maar dat doe ik hier met een reden. Ik doe dit omdat antroposofen die zich voelen aangevallen door critici, soms wel terecht en soms niet terecht, altijd klagen dat er verkeerd geciteerd wordt, selectief geciteerd wordt, gemanipuleerd wordt of dat er zaken worden beweerd zonder bronvermelding etc. Het zijn altijd de critici die manipuleren en die Steiner niet gelezen hebben (de meeste antroposofen wel, want die kunnen in regel goed uit de voeten met Steiners vaak ondoorgrondelijke taalgebruik, leert mijn ervaring…). Over de inhoud wil men vaak het debat niet aangaan. Dat hele dikke van Baarda rapport is voor een deel een lange litanie van klachten over hoe verkeerd, slecht of onzorgvuldig er geciteerd wordt en zelfs kwaadwillig gemanipuleerd wordt. Maar in dit geval is het dus een beetje het verhaal van de waard, het vertrouwen en zijn gasten, etc. Dat maakt het verhaal van van Manen er niet geloofwaardiger op; zijn verdere betoog is trouwens ook een lange klaagzang op het verkeerd citeren en het daarmee verkeerd voor het voetlicht brengen van de grote meester Rudolf Steiner. De critici zijn altijd de grootste charlatans, toch?
Dit is overigens niet alleen een Nederlands probleem, ook in Duitsland roepen antroposofen dit aan de lopende band (zie voor een interessant artikel hierover van Jana Hussmann van de Berlijnse Humboldt Universiteit http://www.religio.de/dialog/106/29_22-29.htm ). Hooguit is het alleen iemand als Thomas Höfer die daar een keer openlijk heeft gezegd dat het een keer afgelopen moet zijn met de eeuwig terugkerende mantra dat er verkeerd of selectief geciteerd wordt als er een racistische passage uit het werk van Steiner voor het voetlicht wordt gebracht, tenzij zo’n klacht terecht is natuurlijk. Maar hier kunnen we dus vaststellen dat van Manen welhaast opzettelijk ‘selectief citeert’. Fouten en onzorgvuldigheden zijn er om gecorrigeerd te worden, maar dat is dit overduidelijk niet. Meneer Heldens, u sprak toch van propaganda?  Van ‘schering en inslag’ en van ‘verwoestend’, van ‘halve waarheden’ en ‘kloeke leugens’.  Een beetje grote woorden nietwaar? Maar op deze manier weet ik er nog wel een.
Dat het niet alleen van Manen is blijkt wel uit de verschillende bijdragen uit Driegonaal. Daar wordt door de verschillende auteurs alleen maar gezeurd over verkeerd en selectief citeren. Het woord ‘propaganda’ en de vergelijkingen met ‘nazi-propaganda’ vliegen je van het papier tegemoet (zijn ‘schering en inslag’). Critici die wijzen op racistische passages in het werk van Steiner hanteren ‘nazi-methodes’, of er moet gespeculeerd worden over hun persoonlijk welbevinden. Ik denk dat het wellicht veel zinvoller en interessanter is om dit aspect zichtbaar te maken, dan om allerlei oude koeien uit de jaren tachtig weer uit een muffe sloot te gaan vissen, omdat Paul Heldens die zo belangrijk vindt.
Om nog even terug te komen op van Manen. Naast dat zijn stuk vooral een reactie is op het verhaal van Zondergeld en van der Tuin legt hij ook uit hoe het nu wel zit met Rudolf Steiner en zijn uitspraken over rassen (dat is waarschijnlijk de reden waarom Paul Heldens mij dit oude stuk heeft aanbevolen). Van Manen: ‘Men kan Steiners visie op de rassen als volgt samenvatten. 1. Door een samenspel van storende bovenzinnelijke invloeden en aardse krachtwerkingen zijn er in het verleden vijf rassen ontstaan. 2. Door de erfelijkheid zijn de raskenmerken voortgeplant en tegelijk losgekomen van de plaats van ontstaan. 3. Binnen enkele duizenden jaren zullen rasverschillen gaan verdwijnen en hun betekenis verliezen. 4. De ontwikkeling van de volkeren en culturen, die sterk vanuit Europa geïmpulseerd is, is een belangrijke eerste stoot tot de doorbreking van de verstarring in rassen. 5. De tijdelijke verdeling van mensen in rassen is niet los te zien van de reïncarnatiegedachte’. (Antroposofie ter Discussie, p. 54).
Ja en? Is er dan geen sprake van rassenleer? Eerder lijkt mij dat er inderdaad sprake is van rassenleer, ongeveer zoals van Manen het hierboven heeft samengevat. Zie hiervoor alle eerdere citaten uit ‘Die Mission’. Ik zou alleen toch wel de correctie willen aanbrengen dat die visie op rassen soms wat drastischer is dan hoe van Manen het hier voorspiegelt. Het moeten verdwijnen van de indianen bijvoorbeeld. Of moet ik begrijpen dat die toch weer incarneren in een ander ras, dus niets aan de hand? Van Manen is over dit soort kwesties niet duidelijk, zijn verhaal blijft sterk in het vage. Wel aardig dat hij nog een keer instemmend het verhaal van Maarten Ploeger aanhaalt (p. 52). En Ploegers verhaal is in zijn lompheid en recht voor zijn raap racisme meer dan duidelijk, dat hebben we eerder gezien. Van Manen: ‘Wat de rassen betreft, gaat het niet om de vraag of rassendiscriminatie juist is of niet. Daarop is het antwoord bekend. De vraag waar het om gaat is: bestrijdt men het leed en het onrecht, dat met rassenverschil verbonden wordt, het beste door alle rassenverschillen te ontkennen? (zie de bijdrage van Maarten Ploeger). Of is het wijzer om de stenen die hier liggen wel te zien? Niet om ze op te rapen om als projectielen te gebruiken, dat wil zeggen als argumenten voor superioriteitsaanspraken, maar om er overheen of er langs te stappen. Wie weigert de stenen te zien, kan er makkelijker over struikelen dan hij die ze wel ziet’. Mooi gesproken meneer van Manen, ook die beeldspraak, maar moeten we nu de ‘rasverschillen’ zien? Op de manier van Maarten Ploeger? Het lijkt me beter om te zwijgen en een paar goede boeken te gaan lezen (en daar bedoel ik vooral niet-antroposofische literatuur mee), voordat u over stenen begint met een verwijzing naar Maarten Ploeger. Het klinkt allemaal heel charmant, bijna parmantig, maar de uiteindelijke inhoud is dat toch wat minder. ‘Schwarze Kohle und der Neger ist ein Egoist’. Daar hebben we het namelijk wel over en u bent zeker bekend met deze voordracht getuige een ander citaat op dezelfde pagina. Van Manen: ‘Het kan inderdaad als een voordeel of een voorrecht van het blanke ras beschouwd worden dat deze rasuitwissende werking primair van de Europese volkeren uitgaat. Alleen in emanciperende zin beschouwde Rudolf Steiner het blanke ras als het ras van de toekomst, een uitdrukking die hij niet in de Volkszielen (als correctie op Zondergeld en van der Tuin, FS) gebruikte maar in een arbeidersvoordracht van 3 maart 1923′. Heel knap gevonden en vooral prachtig dat u zo de heren van der Tuin en Zondergeld zo toespreekt, maar we hebben het wel over dit citaat: ‘Auf der einen Seite hat man die Schwarze Rasse, die am meisten irdisch ist. Wenn sie nach Westen geht stirbt sie aus. Man hat die gelbe Rasse, die mitten zwischen Erde und Weltenall ist. Wenn sie nach Osten geht, wird sie braun, gliedert sich sich zu viel dem Weltenall an, und stirbt aus. Die Weiße Rasse ist die zukünftige, ist die am Geiste schaffende Rasse’ (vom Leben des Menschen.., p. 67 ). Ik heb het hierboven aangehaald. Het is maar wat je onder emancipatie verstaat. Geloof niet dat er veel van die emancipatie te genieten valt voor ‘Gelben und Swarzen’. Dus als u zich op dit citaat beroept, meneer van Manen, valt u toch een beetje door de mand.
Dit kleine polemiekje heeft wel een mooie geschiedenis. U dacht met uw opmerking iets slims te zeggen tegen Zondergeld en van der Tuin. Jeurissen haalt u slechts aan met ‘..zoals de antroposofische leerkracht Hans Peter van Manen het uitdrukt: ‘Dat kan inderdaad als een voordeel of een voorrecht van het blanke ras worden beschouwd, dat deze rassenuitwissende werking primair van de Europese volkeren uitgaat’ (Uit de Vrije School geklapt, p. 12). Uw vriend Paul Heldens, met wie u samen het boekje ‘Wanneer verwachtte Rudolf Steiner de komst van Ahriman’ samenstelde (ik verslind dit soort lectuur sinds ik de Brug heb ontdekt), slaat mij jaren later met uw scherpzinnige verhaal om de oren en ik betrap u weer vervolgens op selectief, zoniet dubieus citeren. Terwijl het allemaal met uw slimme correctie op Zondergeld en van der Tuin was begonnen. Zo haarkloven wij allen weer in een rondje en uiteindelijk komt alles als een boemerang weer bij u terug. Alleen het racisme van Steiner blijft.
Van Manen besluit zijn beschouwing met: ‘Van der Tuin en Zondergeld proberen hun zonder meer absurde aantijgingen in een progressief kader te plaatsen en kiezen daarvoor een antimilitaristisch blad. Geweldloosheid is, hoe men het ook bekijkt, een edele zaak. Er is echter sprake van een tragische vertoning als juist de geweldloosheid als kader moet dienen voor een aanval, die op zo’n plompe wijze de waarheid geweld aandoet’ (p. 57-58). Toch vraag ik mij af wie de waarheid hier nu zo’n geweld aandoet, door weliswaar half toe te geven dat het blanke ras het ras van de toekomst is, maar daarbij niet vermeldt wat Steiner in de zin ervoor heeft gezegd. Een massaal uitsterven van twee mensenrassen, Gelb oder Schwarz, lijkt me geen onbelangrijk detail. ‘Halve waarheden en kloeke leugens’, meneer Heldens.
Verder is het mij een beetje een raadsel waarom Paul Heldens het zo belangrijk vond dat ik deze bijdrage zou moeten meewegen. Van Manen legt nauwelijks iets uit over de visie van Steiner op rassen en volken en het is vooral gericht tegen een artikel van Zondergeld en van der Tuin, dat ik voor ‘Geloof in kabouters…’ niet heb gebruikt. Nu kan het zijn dat Paul Heldens vindt dat ik dezelfde argumenten gebruik als Zondergeld en van der Tuin, maar ik geloof dat ik wat betreft Steiner niet vaak vergelijkingen maak met het fascisme (om maar een voorbeeld te noemen). Ik heb het wel gehad over neo-nazi elementen (David Irving dus), maar dat was in verband met de Brug. Dit laatste lijkt meneer Heldens wel erg hoog te zitten, wat we zullen zien in de artikelen uit Driegonaal. Daar gaat het heel vaak over nazisme en de Tweede Wereldoorlog. Maar ik heb het in verband met de persoon Steiner geen relatie gelegd met het nationaal socialisme. Wel goed lezen, meneer Heldens.
Natuurlijk heb ik het wel over Steiners rassenleer zelf gehad. Over dat laatste is van Manen ronduit vaag; niet een keer citeert hij Steiner zelf, wat ik wel uitvoerig doe. Dus voor mijn eigen bevindingen kan ik het als grotendeels irrelevant terzijde schuiven, tenzij het gaat om de kwestie selectief citeren, daarvoor was het weer wel een aardige eyeopener.
Overigens heb ik nog iets toe te voegen wat betreft Zondergeld en van der Tuin. Vrij recent hebben zij een nieuw stuk geschreven over de rassenleer van Rudolf Steiner (in Gjalt Zondergeld, ‘Goed en kwaad; vijf opstellen, van fascisme tot pacifisme, van Rudolf Steiner tot Colijn’, Antwerpen, 2002, grote gedeeltes hier online te lezen . Zij nemen hierin afstand van hun vroegere vergelijkingen met het nazisme. Het jaren zeventig denken is er echt uitgezeefd. Hoewel ik dit nieuwe stuk van hen niet kende (ik heb het ook niet voor ‘Geloof in kabouters..’ gebruikt) blijkt dat hun inzichten van nu verrassend overeen komen met wat ik geschreven heb. Onze conclusies zou je bijna op elkaar kunnen leggen. Dus meneer  Heldens, als u zich zo druk maakt om wat beide historici hebben geschreven, neem dan eerst daar kennis van. Wellicht zouden we dan een ander soort discussie kunnen voeren. Zou wel wat actueler zijn geweest.

Antroposofie versus (anti)racisme; de speciale editie van ‘Driegonaal’

Weer van een heel andere aard zijn de artikelen uit de speciale editie van het Nederlandse antroposofische tijdschrift ‘Driegonaal; tijdschrift voor sociale driegeleding’, de ‘extra editie’, (anti)racisme versus anthroposofie; een bijdrage tot oordeelsvorming, maart 1996, gevestigd te Hemrik, met ‘artikelen die al verschenen waren vanaf 1985, aangevuld met een tweetal recente artikelen’. De bijdragen zijn van Fred Beekers, Mark Bischot, Mouringh Boeke, Dieter Brüll, Stephan Geuljans, Jan Luiten, Arnold Sandhaus en Liesbeth Takken. Let overigens op de spelling van het woord ‘anthroposofie’, dit vertegenwoordigt, samen met het Willehalm Instituut voor ‘Graalonderzoek en sociale driegeleding’ het geharnaste en ongenaakbare gezicht van de antroposofie in Nederland. Het tegenovergestelde van ‘krities’ dus. En dat blijkt meteen te kloppen. Geen knieval voor progressieve nieuwlichterij, maar ook niet zo ordinair radicaal als ‘de Brug’. Toch valt het me op dat men hier wel van wanten weet en van het op de man spelen is men hier niet altijd vies van (dat is soms een beetje beschamend).
Eerst het redactionele ten geleide van deze speciale editie. Daar staat onder meer: ‘De aantoonbare onwetenschappelijkheid van de anti-racisten, hun hardnekkige vasthouden, ook aan stellingen die onhoudbaar zijn, en de over ruim tien jaar uitgestrekte ‘jacht’ op de in hun ogen ‘racistische anthroposofie’, vormen een pijnlijk adequate illustratie van een uitspraak die Rudolf Steiner op 16 juni 1923 deed: ‘Wij hebben tegenover degenen die heden de anthroposofie bestrijden, slechts de opgave duidelijk aan te tonen waar zij de onwaarheid verkondigen. Daarover kunnen wij spreken. Maar over het meer rhetorische (curs. FS), over het inhoudelijke kunnen we natuurlijk niet spreken met mensen  die zich niet alleen niet willen laten overtuigen, maar die zich ook in wezen niet willen laten overtuigen, omdat het fundament hen ontbreekt’ (Driegonaal, p. 2).
Dit begint stevig. Toch vraag ik mij af wat zij met dat wetenschappelijke bedoelen. Ik zou de antroposofie toch niet erg wetenschappelijk willen noemen, althans volgens de normen die er binnen de normale academische wereld gelden. Ik vraag me namelijk serieus af of bijvoorbeeld Steiners visie op rassen, in de woorden Hans Peter van Manen, binnen de gebruikelijke wetenschap veel kans van slagen zou hebben: ‘Men kan Steiners visie op de rassen als volgt samenvatten. 1. Door een samenspel van storende bovenzinnelijke invloeden en aardse krachtwerkingen zijn er in het verleden vijf rassen ontstaan. 2. Door de erfelijkheid zijn de raskenmerken voortgeplant en tegelijk losgekomen van de plaats van ontstaan. 3. Binnen enkele duizenden jaren zullen rasverschillen gaan verdwijnen en hun betekenis verliezen. 4. De ontwikkeling van de volkeren en culturen, die sterk vanuit Europa geïmpulseerd is, is een belangrijke eerste stoot tot de doorbreking van de verstarring in rassen. 5. De tijdelijke verdeling van mensen in rassen is niet los te zien van de reïncarnatiegedachte’.  Noem het alsjeblieft levensbeschouwelijk, dit heeft namelijk niets met wetenschap te maken. Zie ook het eerder aangehaalde citaat van Jan Willem de Groot over antroposofische definitie van wetenschap, die ik alleen maar kan onderschrijven. Vraag me ook af hoe ‘aantoonbaar onwetenschappelijk’ de methodes van de antiracisten zijn. Hangt er natuurlijk vanaf wie je voor ogen hebt. Maar het lijkt me dat je heel wetenschappelijk verantwoord antiracistische kritiek kunt formuleren op de antroposofie.
Maar tot zover de wetenschap en de antroposofie. Wat staat er zoal in de verschillende bijdragen? Om te beginnen is het dus allemaal pre-van Baarda Commissie en zelfs pre-Jeurissen. De diverse auteurs richten vooral hun pijlen op wederom het artikel van Zondergeld en van der Tuin en een enkele keer op Bram Moerland. Erg actueel is het dus niet. Helemaal niet zelfs. Maar wellicht is het interessant om hier een blik op te werpen.
Het blad opent met een artikel van Stephan Geuljans, getiteld Antroposofie en Darwinisme. Geuljans is een bekende uit de artikelen van Jeurissen overigens en een later verklaard ‘rechtzinnig’ tegenstander van het van Baarda rapport, in zijn mening een knieval voor de niet-antroposofische kritische buitenwereld, zie bijvoorbeeld zijn artikel uit ‘Motief’ http://www.antroposofie.nl/literatuur/antroposofische_literatuur/artikelendatabase/ms/antver/df/motief33-3. Wat beweert hij daar zoal? Dat ook de van Baarda Commissie selectief citeert, die overigens weer alle critici van de antroposofie van selectief citeren beschuldigt. Driewerf hoera, of in dit geval driegeleed hoera. Net de Dordtse Synode.
Verder stelt Geuljans: ‘Citaten bewijzen niets’. Hangt er maar net vanaf in welke context. Ik ben het er wel mee eens dat een citaat zonder context niets bewijst (dat lijkt me niet meer dan een fatsoenlijk uitgangspunt voor iedere alfa- of cultuurwetenschap). En het duiden van een context is geen exacte wetenschap. Die zou je dus enigszins in een betoog moeten hard maken. Toch valt het me vaak op dat als je bij Steiner de context erbij betrekt het erger wordt in plaats van minder erg (zie mijn vorige stuk). Veel losse uitspraken van Steiner zijn juist heel goed in te passen in zijn gehele vertoog (behalve dus die uitspraak over de negerromans, daar kon ik verder niet mee uit de voeten).
In zijn beschouwing voor ‘Driegonaal’ begint Geuljans met een uiteenzetting over hoe de Nazi’s de antroposofie afwezen en zelfs een poging hebben ondernomen Steiner te vermoorden. Ook werd er in de Völkische Beobachter opgeroepen om Steiners komst naar München te verhinderen. ‘In die tijd werd Steiner al verdacht gemaakt’. Geuljans vervolgt met: ‘In onze tijd wordt Steiner opnieuw verdacht gemaakt, deze keer door de antiracisten. De aanklacht wordt onderbouwd met op zichzelf staande citaten zonder het door Steiner ontwikkelde mensbeeld erbij te betrekken’ (p. 3). Het spijt me maar ik kan dit alleen maar demagogisch vinden. Maar laten we verder het artikel van Geuljans verder serieus bekijken, die aandacht verdient het namelijk wel.
Vervolgens komt er een uiteenzetting over het verschil tussen Darwinisme en Steiners opvattingen: ‘Bij Darwin staat de evolutie der soorten centraal, waarbij de mens zich als hoogste diersoort heeft ontwikkeld. Het sociaal darwinisme past dit mensbeeld toe op de sociale verhoudingen, waarbij de mens zich in een ‘strijd der soorten’ zou bevinden waarbij het sterkste ras of diersoort in de ‘struggle for life’ overleeft, en in mindere mate het sterke ras het onderspit delft. Afgezien van alle nuances is de gangbare opvatting dat een mens, als lid van het ‘menselijk ras’ bepaalde universele rechten kunnen worden toegekend’. Daarna komt hij met ‘Filosofie der Vrijheid’ waarin Steiner stelt dat er één menselijk ras is. Ook spreekt Geuljans van een ‘ethisch individualisme’ bij Steiner.
Een belangrijk punt bij Geuljans is, wat hij trouwens ook uiteen zet in zijn artikel in Motief dat er bij Steiner sprake is van ‘evolutie’ en ‘involutie’. Als Steiner spreekt van het degeneren van de Indianen, is dit volgens Geuljans dat de ‘raskenmerken’ sterven, met andere woorden ‘involutie’ maar dat de mens als individu zich verder evolueert. Dus het belang van het ‘ras’ neemt af terwijl het belang van de individuele mens toeneemt. Geuljans besluit zijn artikel met: ‘Iemand die Steiner als filosoof serieus neemt en de zaak vanuit zijn ethisch individualisme beoordeelt weet dat Steiner in alle wetenschappen die hij becommentarieert, het individu centraal stelt. Als Steiner daar volgens enkelen niet geheel in geslaagd zou zijn, is dat een reden om die delen van de wetenschap alsnog met het menselijke te verbinden. Alleen iemand die de antroposofie als onfeilbaar systeem ziet, zal eisen dat distantiëren op zijn plaats is wanneer het citaat niet heilig genoeg is’(p. 7).
Ik ben met hele grote sprongen door dit verhaal gegaan (dat is wel te zien aan mijn verwijzingen) maar ik moet toegeven dat dit op zich serieuze stof tot nadenken oplevert (ik doe dus niet alles af). Wat betreft de notie van evolutie en involutie denk ik misschien weer het mijne, maar goed, de antroposofie is nu eenmaal mijn levensbeschouwing niet (eerlijk antwoord). Toch moet ik wel zeggen dit verhaal voor het eerst (van alle lectuur die ik inmiddels verwerkt heb) iets zie van een mogelijkheid om uit die volstrekt absurde rassjablonen te breken. Alleen bij die laatste opmerking heb ik wel weer mijn kanttekeningen. Juist als je het niet als onfeilbaar ziet kun je je er makkelijker van distantiëren lijkt me. Geuljans haalt veel van Steiner zelf aan, maar in zijn noten verwijst hij alleen naar jaartallen, er staan ook geen GA nummers, dus voor mij is het onduidelijk naar welke titels of voordrachten hij verwijst. Het jaartal 1910 ontbreekt, dus de Volkszielen zit er niet tussen. Ik heb trouwens nog wel meer vraagtekens. Wat er ook door veel antroposofen gezegd wordt (de rassenkwestie is iets van het verleden), Steiner zegt in de Volkszielen een keer expliciet dat zijn rassenverhaal ‘ook voor onze tijd’ geldt. Ik herhaal het in mijn vorige artikel aangehaalde citaat uit Die Mission Einzelner Volksseelen: ‘Diese Linie besteht auch für unsere Zeit (cursivering FS). Der Afrikanische Punkt entspricht denjenigen Kräften der Erde, welche dem Menschen die ersten Kindheitsmerkmale aufdrücken, der asiatische Punkt denjenigen, welche dem Menschen die Jugendmerkmale geben, und die reifsten Merkmale drückt dem Menschen der entsprechende Punkt im europäischen Gebiete auf. Das ist einfach ein Gesetzmäßigkeit. Da alle Menschen in verschiedenen Reinkarnationen durch die verschiedenen Rassen durchgehen, so besteht, obgleich man uns entgegenhalten kann, daß der Europäer gegen die schwarze und die gelbe Rasse einen Vorsprung hat, doch keine eigentliche Benachteilung. Hier ist die Wahrheit zwar manchmal verschleiert; aber Sie sehen, man kommt mit Hilfe der Geheimwissenschaft doch auf merkwürdige Erkentnisse”( Die Mission, p. 80-81). Dat ‘unsere Zeit’ lijkt me nog een ingewikkelde kluif om op te lossen en daar heb ik tot nu toe nog nooit een overtuigend antwoord op gehoord. Zie ook de eerder genoemde citaten uit ‘Vom Leben des Menschen und Erde’.  Zie verder het eerder aangehaalde commentaar van Bernd Hansen van de Junge Antroposophen..
Verder vind ik dat wat Geuljans in dit artikel naar voren brengt meer stof tot nadenken (en zelfs mogelijkheden tot eventuele vernieuwing) brengt, dan bijvoorbeeld de beschouwing van van Manen (en Ploeger laten we maar zitten). Maar erken dan wel dat er sprake is van racisme, want die is er en niet zo’n beetje ook. En ook de bespiegelingen over de innerlijke kwaliteiten van de indianen, aan de hand van Steiner, het zou kunnen. Maar daar tegenover staan ook de zeer negatieve kwalificaties. Alleen al dat sjabloon denken over rassen is al iets waarvan ik denk dat de antroposofie zich zou moeten bevrijden.  Verder is er natuurlijk een vracht aan postkoloniale literatuur die ik zou kunnen bedenken, maar dat voert een beetje ver. Zijn ook erg mijn eigen stokpaardjes en die zal ik er hier maar buiten laten. Alleen het gefixeerde denken in ‘cultuurperiodes’ al, het is het iets dat iedereen die een beetje geschoold is in de hedendaagse cultuurwetenschappen volstrekt wezensvreemd. Maar goed, antroposofie is dan ook geen wetenschap maar esoterie, mijns inziens althans. Erken dat gewoon en doe dan verder geen algemene uitspraken met wetenschappelijke pretenties over rassen meer.
Verder moet ik zeggen dat de verdere inhoud van het blad zeer achterhaald is en ook niet altijd even netjes is naar de critici van de antroposofie, sterker nog, zwaar onder de gordel. Ik ga hier niet alle sneren weergeven die er worden uitgedeeld naar Moerland en Zondergeld, maar beschamend is het wel. Het gaat echt tot en met speculaties over persoonlijke zaken. En meer dan speculeren is het niet. Had het dan bij dat ene stuk van Geuljans gehouden. Op zaak spelen mag wat mij betreft stevig en soms hard, maar dat op de man spelen is wel een beetje ranzig. Lijkt me ook een teken dat er dan niet zo’n sterke zaak is. En inderdaad, er is wel een probleem. Een racisme probleem bijvoorbeeld.
Waar ik nog wel even op wil ingaan, gezien de krachtige kwalificatie in het verhaal van Paul Heldens en dat is het artikel van Dieter Brüll, ‘De nieuwe reactionairen’ (p. 14-24). Wat bedoelt meneer Brüll daarmee?  Het is vooral een tirade tegen het werk van Zondergeld en de Groningse hoogleraar pedagogiek JD Imelman, auteur van het toen actuele ‘Hoe vrij is de Vrije School’, uit 1983 waarin hij kritiek heeft geuit op het Vrije School onderwijs (is net zoveel over gereld als over Zondergeld, ook in ‘antroposofie ter discussie’). Is het voor mijn verhaal relevant? Totaal niet zelfs, dus begrijp ook niet waarom Paul Heldens ermee aan kwam zetten. Brülls betoog is verder dat de antiracisten van de generatie jaren zestig/zeventig net zo reactionair zijn als de fascisten van de jaren dertig/veertig. Lijkt me onwaarschijnlijk, maar is weer een hele andere discussie. Wat wilde u hiermee, meneer Heldens? Hoor ik daar soms ook bij? Nu ben ik geboren in de jaren zeventig maar ik leef er niet in.  Concluderend kunnen we toch wel stellen dat het hier allemaal om erg verouderd materiaal gaat. Het stuk van Geuljans vond ik er op een bepaalde manier wel uitspringen (zie er zelfs een openingetje voor vernieuwing in, al is dat een zaak van de antroposofen zelf), maar verder denk ik dat het verder allemaal niet meer erg van belang is.

SLOT

Beste Paul Heldens, wat mijn probleem met de antroposofie is, is dat het zich allerlei uitspraken permitteert over onbewijsbare grootheden, met een air en een pretentie alsof het de universele waarheid is. Nu doen ook alle religies dat, maar erken dan tenminste dat de antroposofie geen wetenschap is maar een geloof. En voor als je er in kan geloven (en dat kan ik niet meer) waag je dan niet aan allerlei theorieën en uitspraken over rassen, homoseksualiteit (zijn ze bij de Brug heel goed in), over hoe de geschiedenis in rigide sjablonen van cultuurperiodes is in te delen, over de geschiedenis van de aarde, etc.
Ik zie ook wel de goede dingen (bepaalde kanten van het onderwijs en ik ben ook zeker voor ecologische landbouw), maar wat betreft het duiden of classificeren van rassen en culturen en de megalomane visie op de geschiedenis zijn voor mij persoonlijk moeilijk te verteren.
Ik wil nog een voorbeeld laten zien, om mijn punt expliciet te maken. Het gaat weliswaar om een randfiguur binnen het Nederlandse antroposofische spectrum, maar ook dit geval wordt het mij te vaak door de mainstream serieus genomen. Ik bedoel de astrologe en natuurgenezeres Melly Uyldert. Ik moest er weer plotseling aan denken, omdat ik ontdekte dat in de noten van een artikel van uw hand op internet over ‘elementswezens’ (http://www.antrovista.com/artikelen/ingezonden/heldens-elementenwezens.pdf, ik was natuurlijk wel nieuwsgierig naar u geworden toen u me zo van repliek had bediend, dus heb u even ‘gegoogled’ zoals dat heet) het verder in brede antroposofische en zelfs in New Age kringen populaire boek van Kees Zoeteman ontdekte ‘Over Moeder Aarde, dertien spirituele visies op de natuur’,  Rotterdam, 1996. Daar heeft deze Melly Uyldert gewoon een bijdrage aan geleverd, staat ook nog expliciet in uw noten vermeld. Ik wil u overigens op geen enkel beding, begrijp me niet verkeerd, verder in verband brengen met deze mevrouw, alleen viel het me op dat haar naam viel in uw noten. Toen wist ik me haar ook weer te herinneren.
In antroposofische kring wordt er gedaan alsof er niets met dit ‘fenomeen’ aan de hand is. Het is zelfs zo dat ik in de zevende klas, bij ons op school, een boekje van haar heb gelezen over een mogelijke symbolische uitleg van Tolkiens ‘Lord of the Rings’ (voor alle duidelijkheid, we kregen dit niet expliciet aangeboden, maar het lag ergens tussen wat andere boeken, wellicht niet eens met opzet). Ik las dit op mijn dertiende, vond dit heel fascinerend en het was voor het eerst dat ik echte esoterische lectuur las. Ook haar ‘Verborgen Wijsheid van het Sprookje’ circuleerde bij ons op school en het lag ook prominent in de locale antroposofische boek en levensmiddelenwinkel, gerund door diverse ouders van kinderen van mijn vroegere Vrije School (was bijna een soort verlengstuk, begrijpelijk in een middelgrote provincieplaats in het oosten van het land). Ik had toen natuurlijk geen vermoeden en wellicht wist niemand dat, ook niet de leerkrachten van mijn school, dat deze Melly Uyldert ook met grote regelmaat wat vreemde uitspraken deed over bijvoorbeeld het Jodendom en ‘de Joden’. Ik weet eigenlijk wel zeker dat niemand dit toen wist, omdat wij in de zevende klas NB een keer uitgebreid aandacht aan dit onderwerp hebben besteed naar aanleiding van Jan Terlouws ‘Oorlogswinter’, onder leding van een leraar die dat heel goed deed (nogmaals dit alles heeft niets met mijn school te maken). Pas veel later is Melly Uyldert in de publiciteit gekomen. Het was pas in de jaren negentig toen ik een verbijsterende passage las, in een artikel van Toos Jeurissen in de Groene Amsterdammer. Daar stond ondermeer het volgende citaat. Melly Uyldert over ‘de Joden’, oorspronkelijk in haar eigen blad ‘De Kaarsvlam’ (staan overigens ook een aantal nummers van online op http://www.uyldert.nl/):

‘Men is het geboren slachtoffer, de martelaar, of men wil of niet. Vaak neemt zo iemand vrijwillig de voor anderen bestemde slagen op zich, kiest altijd het naarste plekje in vervoermiddelen of schouwburg en neemt de schuld van een ander op zich (…) Zij zuigen als het ware de disharmonieën van hun omgeving in zich op en boeten die uit met hun lichaamslijden. (…) Dit type komt bijzonder veel voor onder het joodse volk, dat, in wezen wars van alle geweld en agressie, het lijden van de gehele volkerengemeenschap op onze planeet op zich genomen heeft en de collectieve schuld uitboet, niet alleen in haar grote zoon Jezus van Nazareth, maar in de miljoenen bij pogroms en in concentratiekampen gemartelde en in onzegbaar lijden vernietigde en toch onsterfelijke joden. Zij zijn het grote voorbeeld van dit aspect: het verlossen van anderen door hun eigen ondergang. Daardoor kunnen zij ook onmogelijk kerkchristen worden, dus het dogma aannemen dat Jezus voor hen gestorven zou zijn – zij sterven zelf met hem mee voor dezelfde zaak.’

Voor wat meer (beknopte) informatie zie: http://nl.wikipedia.org/wiki/Mellie_Uyldert. Een zoektocht op internet over haar levert veel saillants op, tot en met contacten met het Consortium ‘De Levensboom’ van wijlen mevr. Florrie Rost van Tonningen-Heubel, de Zwarte Weduwe. Ik kan me nog het verhaal uit de krant herinneren dat zij een ruilabonnement op elkaars blaadjes hadden. Florrie ontving Mellie’s ‘De Kaarsvlam’ en Mellie kreeg dan Florrie’s  ’Manuscripten’. Ik weet niet of dit allemaal waar is, maar het feit dat zij ook schedelmeten promoot (gewoon open en bloot in ‘de Kaarsvlam’) geeft wel te denken. De Duitse bezetting was ‘een heerlijke tijd’ en de bevrijding in 1945 betekende een ‘terugval in het materialisme’. Verder schijnt zij een ‘wijze maagd’ te zijn. Teveel seksueel genot bij de conceptie trekt slechte geesten aan, waardoor er een grote kans is op de geboorte van een gehandicapt kind. Zij is overigens een groot voorstander van abortus, vooral als het om dit soort ‘gehandicapte lustkinderen’ gaat. Goed, ook mevrouw Uyldert kan worden afgedaan als een marginale randfiguur, maar waarom wordt er in antroposofische kringen weer gedaan alsof er niets aan de hand is, net als met die neo-nazipraat uit ‘de Brug’? Overigens besteedt het van Baarda Rapport kort aandacht aan haar met de mededeling dat zij ‘geen antroposofe is’ (p. 601). Ik moet zeggen dat ik hierin wel enigszins kan meegaan (is natuurlijk een kwestie van definitie), althans ze verwijst bij mijn weten nooit naar Rudolf Steiner en ik zou haar qua opvattingen, wanneer je het antisemitische element eruit zeeft, eerder tot de New Age rekenen. Zoals op haar website staat vermeld: ‘Slechts weinigen begrepen, dat zij op al deze gebieden slechts toepaste wat haar het naast aan het hart ligt: het nieuwe denken, dat past in de nieuwe tijd die is aangebroken. Ze voelt het als haar taak, om op elk gebied het licht van dat nieuwe denken, het denken in analogieën, te laten schijnen. Ze houdt haar toverlamp bij elke verschijningsvorm van de dagelijkse werkelijkheid, om de straling te doen doordringen tot in het wezen daarvan: “Kijk, dat is waar het om gaat! Daar komt het patroon uit de kosmos en drukt zich uit in het vormmateriaal dat op dat speciale gebied voorhanden is.” Zo toont ze aan, op haar cursussen, in haar boeken en in haar maandblad, dat alle opvattingen tegelijk waar zijn, want het zijn verschillende vormen voor één en hetzelfde wezen’. Dit is inderdaad meer New Age dan antroposofie al zijn er zeker overeenkomsten. Het denken in analogieën bijvoorbeeld. Een verschijnsel uit de kosmos dat zich op aarde uitdrukt, we hebben het al eerder gezien, bij ‘de Volkszielen’. Van Manen heeft het nog een keertje goed samengevat en uitgelegd, zoals hiervoor besproken. Verder is deze tekst weinig meer dan de Tabula Smaragdina van Hermes Trismegistus teruggebracht tot het niveau van Efteling kitsch (haar website is ook in die stijl vormgegeven).
Ook is in het algemeen de overeenkomst van de antroposofische notie van het ‘Michaëlstijdperk’ met het ‘Aquariustijdperk’ van de New Age erg groot te noemen, al zeg ik hier niet dat dit hetzelfde is. Beide behelsen echter wel de belofte van een nieuw tijdperk en een hernieuwd spiritueel ontwaken. Een voorzichtige parallel mag je in deze wel trekken. De Brug heeft een buitengewoon ‘leuk’ artikel aan dit komende Michaëlstijdperk besteed (http://users.telenet.be/antroposofie/diabasis/b32bewaareng.htm).
Maar neem dan een keer van antroposofische zijde duidelijk stelling tegen haar standpunten, in plaats van haar boeken gewoon in antroposofische winkels aan te prijzen, om maar een voorbeeld te noemen. In de praktijk blijkt ze gewoon geaccepteerd te zijn in antroposofische circuits. Tot voor kort kon ze nog overal lezingen komen geven, in diverse spirituele en antroposofische centra en instellingen en werd haar spiritueel centrum ‘Oasis’ in het Belgische Kalmhout gewoon aangeprezen (zij verblijft nu in een antroposofisch verpleeghuis in Bilthoven). Het feit dat zij een bijdrage kan leveren aan zo’n boek van Kees Zoeteman is (haar naam duikt op naast die van Bernard Lievegoed, om maar iets te noemen), is hoe je het ook bekijkt, op z’n vriendelijkst gezegd een flater van jawelste en met een beetje kwade wil zelfs regelrecht ‘fout’ te noemen.
Om toch nog een ander interessant aspect uit uw artikel aan te halen (ik wil u niet alleen met Melly Uyldert om de oren slaan, en zij figureerde slechts in een voetnoot), U schrijft op een positieve manier over ‘de Indianen’ en u baseert zich  op een passage uit de Volkszielen. U stelt: ‘Eén bron vormt de natuurreligie van bepaalde Noord-Amerikaanse indianenstammen. Deze vorm van religie is een laatste rest van wat eens uitging van de grootse Atlantische mysteriën’. Waarschijnlijk verwijst u naar deze uitspraak, hier eerder aangehaald: ‘Was war für den Indianer das Größte? Es war, daß er noch ahnen konnte etwas vonder alte Größe und Herrlichkeit eines Zeitalters, welches in der alten Atlantische Zeit vorhanden war, wo noch wenig um sich gegriffen hatte die Rassespaltung, wo Menschen hinaufschauen konnten nach der Sonne und wahrzunehmen vermochten durch das Nebelmeer eindringenden Geister der Form. Durch ein Nebelmeer blickte der Atlantier hinauf zu dem, was sich für ihn nicht spaltete in eine Sechs-oder Siebenheit, sondern zusammenwirkte. Das, was zusammenwirkte von den sieben Geistern der Form, das nannte der Atlantier  den großen Geist, der in der alten Atlantis dem Menschen sich offenbarte’. Maar U weet toch wat hij in de zin erna zegt? Ik heb het hierboven aangehaald, tot en met de ‘Buchstaben’ die hij niet zou begrijpen. Overigens historisch onjuist, het oude Amerika kende diverse schriftculturen, tot en met het volledig fonetische alfabet van de Maya’s (was overigens in Steiners tijd nog niet bekend). Dit is de januskop van het exotisme. Prachtig die Indianen, maar ’hun tijd was wel om’, in de woorden van Helena Blavatsky, uit de ‘Geheime Leer’ (’Antropogenesis’, p. 687) . Elders wat explicieter (nadat zij gesproken heeft van ‘het vijfde Arische wortelras, het zwarte negerras en het Aziatische ras en hunne kruisingen’): ‘Roodhuiden, Eskimo’s, Papoea’s, Australiërs, Polinesiërs, enz. enz. zijn allen aan het uitsterven. Zij die inzien dat elk wortelras een toonladder van zeven onderrassen doorloopt zullen het ‘waarom’ begrijpen. De incarnerende ego’s zijn aan hen voorbij gegaan, om ondervinding te doen in een beter ontwikkelde en minder door ouderdom versleten stammen, en hun vernietiging is derhalve een Kharmische Noodzakelijkheid’ (geciteerd uit Bram Moerland, p. 13, uit ‘De Geheime Leer’, ‘Antropogenesis’, p. 688, door Moerland geheel correct geciteerd, dus meneer Heldens, die propaganda vlieger van u blijkt steeds meer een krachteloze losse flodder. Zie voor meer uitleg ‘Geloof in kabouters…’). En Steiner was het daar klaarblijkelijk roerend mee eens. Dat plaatst die met de mysteriegodsdiensten van Atlantis verbonden indiaan opeens in een heel ander licht.
Wat u schrijft over de indianen klinkt verder heel mooi en bijna bewonderend, maar het is wel exotisme, maw een veelal uit de negentiende eeuw (enigszins achttiende zie Rousseau) stammende notie van de romantiek van de nobele wilde. Als de van Baarda commissie nu toch met Edward Said aan komt, dan kan ik zeggen dat dit nu juist een kant van de medaille is van het koloniale superioriteitsdenken, waar ook de antroposofie mee doordrenkt is. Juist door de ‘ander’ als iets exotisch en iets mysterieus af te schilderen, is het ook makkelijker om die ander te ontmenselijken. Door hem slechts te zien als een representatie van iets dat mysterieus en spannend en misschien wijs is, maar daarmee ontmenselijkt. Enige studie van postkoloniale literatuur leert vaak dat het ophemelen van het mysterieuze van de ander twee gezichten heeft. Dit gaat vrijwel altijd gepaard met het idee dat de ander toch niet zo rationeel is als wijzelf en dus politiek, economisch etc. beter onder controle moet worden gehouden. Dit is ongeveer de kern van Edward Saids betoog in Culture and Imperialism en vooral in zijn nog veel bekendere Orientalism, maar ook wat specifiek de indianen betreft is hier interessante literatuur over verschenen, veelal van auteurs van indiaanse afkomst. Een grote oude klassieker is Custer died for your sins van Vine Deloria jr. (1973), in het Nederlands verschenen als Custer stierf voor jullie zonden . Hij maakt hierin gehakt van het stereotype en romantische beeld dat veel westerlingen, ook degenen die zo’n ‘bewondering’ voor de natuurvriendelijke indiaan hebben. Hij ziet deze stereotypen als buitengewoon badinerend en ontmenselijkend. Om in de woorden van een andere prominente intellectueel van Indiaanse afkomst te spreken, Pam Colorado, hoogleraar aan de universiteit van Toronto: ‘In the end non Indians will have complete power to define what is and what is not Indian, even for Indians… When this happens, the last vestiges of Indian Society and Indian rights will disappear. Non Indians wil then ‘own’ our heritage and ideas as thouroughtly as they now claim to own our land and resources’ (geciteerd uit Lucy Lippard, Mixed Belessings; new art in multicultural America, Pantheon Books, New York, 1990, p. 117). Door megalomane sjablonen op de ander te leggen, zal de ‘ander’ altijd de ‘ander’ blijven.
Ook van dit soort koloniaal gedachtegoed is de antroposofie doordrenkt, zij het dat er een dikke esoterische saus overheen is gegoten, verpakt in een universele en eeuwig geldende kosmologie. Het zou interessant zijn om dat te doorbreken, dan kan de antroposofie zich ook van het racisme bevrijden. Want dat racisme duikt constant in verschillende vormen op.
Ik denk dat dit het probleem is, hoewel het door Geuljans geopperde ‘ethisch individualisme’ wellicht een uitweg biedt. Verder is het in verschillende antroposofische uitingsvormen, in talloze gedaantes, telkens weer raak. De vorm is vaak verschillend, maar de inhoud is steeds dezelfde. Of het nu gaat om de mysterieuze op astrologie en aardkrachten gebaseerde rassenleer van Rudolf Steiner in de Volkszielen (en dat is wel de bron), het kwakkelende betoog voor ‘rasbewustzijn’ van Maarten Ploeger ( zwabberend tussen Senghor en Wounded Knee, waarvan hij de eerste niet begrepen heeft en van het tweede de feiten niet kent), het gezwam van meneer Wiechert over Ajax en wederom Wounded Knee, de agressieve vlucht naar voren methode van de auteurs van de Brug die er allerlei neo-nazi elementen bij sleuren (David Irving), of de kruidenvrouwtjespraat van Mellie Uyldert over het Jodendom en de concentratiekampen; keer op keer steekt het racisme de kop weer op. Dat is precies het probleem, en dat maakt voor mij de antroposofie onverteerbaar en uiteindelijk verwerpelijk. Ik denk dat aan dat racisme probleem echt iets gedaan moet worden. Verder natuurlijk ‘ieder zijn meug’ (in uw woorden).
In de discussie die volgde nadat u uw repliek op mijn artikel had geplaatst zei u: ‘Ik weiger  pertinent om in het openbaar een inhoudelijke discussie aan te gaan die alle argumenten slechts in één richting waardeert: de publieke bekentenis dat Steiner een racist was. Dat is m.i. de reactionaire kant van zo’n enorm eerlijke discussie. In China is de ‘culturele revolutie’ godzijdank voorbij, nu in antroposofenland nog, zeg ik maar. Héél kort samengevat: ‘antroposofisch racisme’ is een contradictio in terminis’.  Ik zal u gerust stellen, al vindt u mij ‘een jonge hond die tegen uw broek aanpiest’ (uw woorden), ik ben geen rode gardist. Ik zeg ook niet dat antroposofen per definitie racisten zijn, alleen dat de antroposofie een ernstig racisme probleem heeft. En dat van die contradictio in terminis is helaas onhoudbaar en onjuist Bovendien, als we wederom de oogst van het bovenstaande eerlijk onder ogen durven te zien lijkt mij een discussie niet meer dan normaal. Maar deze zal vooral door de antroposofen zelf gevoerd moeten worden, want een antroposoof ben ik niet. Maar het positieve nieuws is dat er in Duitsland antroposofen van mijn generatie zijn, dus weer nog een nieuwere lichting dan Thomas Höfer ea, die hier echt serieus werk van maken (heb ik begrepen althans). Wellicht moet het van hen komen.
Nu Thomas Höfer toch ter sprake is gekomen wil ik hem aan het eind van dit verhaal nog een keer aanhalen. Höfer: ‘De door Steiner vertegenwoordigde meningen, dat de indianen stierven aan hun eigen natuur en dat de blanken het eigenlijk zijn die het menselijke in zich ontwikkelen, passen bij de racistische superioriteitstheorieën, die de Europese expansie, kolonialisme, agressieve kerstening en volkerenmoord moreel moesten rechtvaardigen. Vooruitstrevender zou het zijn geweest de superioriteitsaanspraak van de blanken en de daarbij horende racistische rechtvaardigingstheorieën kritisch aan te kaarten in plaats van ze ook nog eens occult te onderbouwen’ (geciteerd uit Jeurissen, p. 12).
Zie hier de kern van de zaak. Het koloniale superioriteitsdenken heeft allang afgedaan, ik neem aan ook voor de meeste antroposofen (een aantal eerder aangehaalde dolgedraaide fanatici daargelaten). Alleen de occulte onderbouwing van Steiner blijft, waardoor antroposofen van nu zich in allerlei bochten moeten wringen om de racistische uitspraken, die gezamelijk een welomschreven en coherente rassenleer vormen, te bagatelliseren of te ontkennen (zie het van Baarda rapport). Want de rassenleer is inderdaad ingemetseld in het gehele occulte bouwwerk van de antroposofie en het zal niet makkelijk zijn om die uit het bouwwerkje te slaan zonder dat er instortingsgevaar voor de rest dreigt. Toch lijkt mij dat het enige wat er op zit, al zal het niet makkelijk zijn. Degenen die zich daar toch aan willen wagen hebben mijn bescheiden zegen, al heb ik als (inmiddels) een buitenstaander makkelijk praten.
Nu heb ik zelf geen hekel aan antroposofische mensen en ik meen te weten dat er genoeg rondlopen die dit probleem eigenlijk ook verschrikkelijk vinden, maar het probleem blijft als er niet een keer een gemeende en verinnerlijkte verandering optreedt. En de plaat van het verkeerd citeren, uit de context halen, etc. is langzamerhand wel grijs gedraaid. De tijd van de ontkenningsfase lijkt me nu wel voorbij.

Het was een eer u te mogen riposteren,

Verder vriendelijke groet,

Floris Schreve

Geraadpleegde literatuur

(anti) racisme versus antroposofie; een bijdrage tot oordeelsvorming, ‘Driegonaal; tijdschrift voor sociale driegeleding’, extra editie, maart 1996 (artikelen vanaf 1985).

Commissie van Baarda, Antroposofie en het vraagstuk van de rassen; eindrapport van de onderzoekscommissie Antroposofische Vereniging in Nederland, Zeist, 2000.

Helena P. Blavatsky, De Geheime Leer; de synthese van wetenschap, godsdienst en wijsbeerte, Ned. Theosofische Ver. (jubileum uitgave), JJ Couvreur, Den Haag, 1968 (oorspr. 1888, Londen).

Dee Brown, Begraaf mijn hart bij Wounded Knee, Jos Knipscheer/Hollandia, Baarn, 1971

Vine Deloria jr., Custer stierf voor jullie zonden; een indiaans manifest, De Indiaanse Bibliotheek/In de Knipscheer, Haarlem, 1973

Jan Willem de Groot, Kosmisch racisme; over racistische elementen in de antroposofie, Skript, zomer 1996 (zie http://www.stelling.nl/simpos/antro1.htm )

Toos Jeurissen, Antroposofie en racisme,  de Groene Amsterdammer, 5 februari 1997

Toos Jeurissen, Uit de vrije school geklapt, Baal producties, Sittard, 1996 (online te lezen op http://www.antroposofia.be/wordpress/uit-de-vrije-school-geklapt.pdf)

Jelle van der Meulen (red.), Antroposofie ter discussie,  uitgeverij Vrij Geestesleven, Zeist, 1985

Bram Moerland, Rassenleer met charisma; over het racisme van Steiner en Blavatsky, Haagse academie Pers, Den Haag, 1989.

Edward W. Said, Culture and Imperialism, Vintage, Londen, 1994

Rudolf Steiner, De Akashakroniek; de ontwikkeling van mens en aarde (verzamelde bijdragen, gebundeld door Marie von Sievertz), oorspr. uitg. Dornach 1939, Pentagon, Amsterdam, 2004.

Rudolf Steiner, Het Evangelie naar Mattheüs; esoterische achtergronden, oorspr. 1910, Vrij Geestesleven, Zeist, 1983.

Rudolf Steiner, Die Mission einzelner Volksseelen in zusammenhange mit der Nordisch Germanische Mythologie, Vortragzyklus gehalten in Christiania (Oslo), 1910, Nachlassverwaltung Dornach, 1950

Rudolf Steiner, Vom Leben des Menschen und der Erde; über das Wesen des Christentums, Rudolf Steiner Taschenbücher aus dem Gesamtwerk,  Dornach, 1993 (oorspronkelijk Dornach 1923)

Rudolf Steiner, De wetenschap van de geheimen der ziel (‘Geheimwissenschaft’, 1920), Rotterdam, 1924.

Evert van der Tuin,  Gjalt Zondergeld, De schaduwkant van de antroposofie,  in ‘’t Kan anders’, najaar 1984

Gjalt Zondergeld, Goed en kwaad; vijftien opstellen, van fascisme tot pacifisme, van Rudolf Steiner tot Colijn, Antwerpen, 2002. Het essay ‘Steiners leer over rassen en volken’ (samen met Evert van der Tuin) is grotendeels online te lezen op: http://books.google.nl/books?id=dJKIrS-B_hEC&pg=PA9&lpg=PA9&dq=Gjalt+Zondergeld+Goed+en+Kwaad&source=web&ots=yTxqjefED7&sig=Xfs5I5XMahD_wEo5qPMxsHL_CPE&hl=nl&sa=X&oi=book_result&resnum=1&ct=result#PPA69,M1

Voor een uitgebreider literatuuroverzicht zie de literatuurlijst van mij vorige artikel: http://florisschreve.web-log.nl/mijn_hersenspinsels_onder/2008/06/de-a

October 12, 2008 - Posted by florisschreve1973 | Uncategorized | | 1 Comment

1 Comment »

  1. Reacties
    Reactie Ramon de Jonghe (www.steinerscholen.com)

    Ik ga me hier verder niet over dit onderwerp uitspreken. De ‘discussie’ hierover is erg onvruchtbaar gebleken, de meeste critici hebben hun ‘oordeel’ al lang klaar en lijken niet geïnteresseerd in een genuanceerde behandeling van dit complexe vraagstuk.’

    Die reactie kwam op het artikel ‘Steiner hat gesagt….’. Waarna wordt verdergegaan.

    Maar m.b.t. de uitspraken hierboven over de affaire rond Christof Wiechert wil ik even iets rechtzetten. Er staat: ‘Dit in ogenschouw nemende, vond Wiechert de gedachte achter de kosmische rassenleer van Steiner meer begrijpelijk. Het publiek had dit anders begrepen, namelijk als onverdund racisme.’
    Het was niet het publiek, maar de journalist van de Humanistische Omroep die een rel schiep, door voorafgaand aan de uitzending een persbericht de wereld in te sturen. Zonder deze actie was er waarschijnlijk helemaal geen affaire geweest. De uitzending zelf was een montage, op basis van een gesprek van enkele uren, die tegen de afspraak in niet vooraf aan Wiechert was voorgelegd. Naïef van Wiechert, dat wel.

    Wiechert zou ‘geflikt’ zijn door een of andere schrandere journalist? Toch dom voor iemand die zijn wijsheden betrekt uit hogere werelden, niet? Het zou natuurlijk kunnen dat het zo gegaan is, maar het lijkt er sterk op dat dit simpelweg de zoveelste verdedigings- en rechtvaardigingstactiek is die vanuit antroposofische hoek wordt aangewend wanneer er iemand door de mand valt.

    Dat de racismediscussie weinig vruchtbaar is gebleken, ligt dan toch vooral aan antroposofen zelf. Die kruipen steeds wanneer er een kritisch geluid klinkt ergens weg in een hoekje, maar niet voordat er doorheen de beweging heel hard ‘Ahriman, Ahriman’ is geroepen, vaak vergezeld van nog meer ‘ad hominem’. En dan maar wachten tot het licht weer aangaat.

    Zo kreeg Floris Schreve, die hier al enkele reacties plaatste waarin hij refereerde naar zijn artikel over racisme en sektarisme in de antroposofie, er vanwege dat artikel onlangs flink van langs op Nederlands grootste antroposofische webportaal: Antrovista. Paul Heldens, zeer bedrijvig binnen de antroposofische beweging spendeerde maar liefst negen pagina’s aan het artikel van ‘een jonge hond die tegen mijn broek pist’, waarmee Heldens duidelijk naar Schreve verwees. Argumenten tegen het betoog van Schreve had hij niet, wel een lange literatuurlijst. En toen de wind te veel tegenzat, haalde Heldens zijn stuk van de site van Antrovista. Die historie is nog na te lezen in mijn bijdrage ‘Eerst blazen…dan aftocht’.

    Floris Schreve liet het er echter niet bij en dient op zijn weblog Heldens sinds vandaag van repliek met een nieuw artikel, genaamd ‘Antroposofie deel II: een repliek’. De auteur heeft iets met lange titels, want als ondertitel staat er dit:

    Van de propaganda, halve waarheden en kloeke leugens. Over de kunst van het vermeend selectief citeren ter bewijs van een ‘vermeende’ rassenleer waarin een gedeeltelijke repliek op Paul Heldens ‘9/11 Heikele kwesties’ en met een verwerking van zijn belangrijkste literatuursuggesties.

    Een hele mond vol. Het is, net zoals de vorige keer, een uitgebreid betoog geworden, waarin hij zich vooral richt op het door enkele antroposofen samengestelde boek ‘Antroposofie ter discussie’. Alleen is het deze keer overzichtelijker om te lezen (de layout is stukken beter). Schreve komt ook met heel sterke argumenten; Het valt op dat hij zich meer in zijn eigen vakgebied, cultuurgeschiedenis, begeeft en het hem lukt zo zijn argumenten meer gewicht te geven. Vooral de bijdragen van Maarten Ploeger en Hans Peter van Manen aan het hierboven genoemde boek worden zorvuldig ‘uitgebeend’. Schreve toont aan dat beide heren nogal mank lopen wat hun argumentatie betreft.

    Ploeger: ‘Er blijkt zelfs een opmerkelijke affiniteit te bestaan tot grensoverschrijding tussen leven en dood. Al in een vroeg leeftijdsstadium vertonen indianen scherp getekende gelaatstrekken. Bij de prairie-indianen werd een belangrijkste krijgers inwijding gevonden in strijdsituaties met een welhaast zeker dood voor ogen (de eer behalen door een gewapende vijand aan te tikken met een stok)…(…) Met deze karakteristieken voor ogen kan Steiners uitspraak in de Volkszielen (vrij weergegeven): ‘De indianen moesten uitsterven en de kolonisten waren het uiteindelijke instrument’, in en juist daglicht worden gesteld. Het is allerminst een excuus voor het botvieren van de blanke moordcapaciteit; die schuld hebben wij hoe dan ook op ons geladen (evenmin kan de nog steeds voortgaande uitroeiing van de Amazone-indianen hiermee op welke wijze dan ook aanvaardbaar worden gemaakt). Zoals een ouder mens aan een op zichzelf niet zo dramatische ziekte licht kan bezwijken, zo betekende de confrontatie met de blanke expansiedrift voor de indianen meer dan een reeks ongelijke oorlogen. De indiaanse cultuur had à priori de bevattelijkheid om hieraan te gronde gaan (zie bijvoorbeeld de Wovoka-episode, uitmondend in de ‘zelfdestructie’ onder leiding van Sitting Bull bij Wounded Knee)’. (p.43-44 [nvdr. Antroposofie ter disccussie])

    Dan Schreve weer:

    Wellicht is het zinvol om een paar foto’s te tonen van de dode lichamen die na de slachting op karren naar het massagraf werden gereden (zie link http://hoist.hrtc.net/~wbt/woundedknee.htm , overigens geheel ten overvloede, de foto’s zijn schokkend). Maar misschien dat het dan wat minder een abstractie wordt waar de heren Ploeger en Wiechert vrijblijvend hun semi-wijsheidjes over menen te moeten spuien. Wat de Belgische antroposofen van de Brug met de Holocaust hebben, hebben sommige Nederlandse antroposofen met Wounded Knee. Verder blundert Ploeger al in het vermelden van de juiste feiten (het was niet onder leiding van Sitting Bull, want die was daarvoor al vermoord), laat staan dat hij dan in staat zou kunnen zijn om de ‘kosmische noodzaak’ van ‘Wounded Knee’ uit de doeken te doen. Er was ook geen sprake van zelfdestructie, want de kogels kwamen uit twee Hotchkiss kanonnen, op bevel van Kolonel James W. Forsyth opgesteld op de heuvel boven de vallei, waar een ongewapende menigte van tussen de driehonderd en driehonderdvijftig Minneconjou Lakota werd uitgemoord, zonder aanzien des persoons, op 29 december 1890 (feiten zijn toch belangrijk, al lijkt meneer Ploeger daar niet zoveel om te geven. Die zoekt het meer in de ‘grote lijnen’ en de achterliggende ‘wetmatigheden’). Stamhoofd Big Foot, want die was het, dus niet Sitting Bull, leed op dat moment aan een zware longontsteking en was eigenlijk doodziek. Berucht is de foto van zijn door de strenge vorst bevroren lichaam, in een verwrongen houding in de sneeuw. Ik zou wellicht wat literatuur en andere bronnen kunnen aanraden over de toedracht en de achtergronden van deze massaslachting, maar het lijkt mij het beste en ook wel zo kies als bepaalde Nederlandse antroposofen voortaan hun mond houden over de kwestie Wounded Knee. Dan gebeuren er tenminste geen ongelukken.
    Aan het eind van dit onfrisse verhaal zegt Ploeger, nu kennelijk in de hoedanigheid van rassenveredelaar:

    ‘De opheffing van de fysieke verschillen tussen de rassen gaat onherroepelijk door. Er is nog maar weinig tijd om hier juist op te antwoorden. Dit antwoord moet grotendeels nog gevonden worden. Schrijver dezes heeft het voornemen tot een uitvoeriger publicatie te komen, in een poging hieraan verder te werken’.
    Bij mijn weten is die publicatie er nog niet gekomen. Houder van deze webstek heeft echter het voornemen om die publicatie op gepaste wijze te recenseren, mocht het ooit zover komen, al denk ik dat de heer Ploeger het maar beter kan laten.

    Dit om zo’n beetje aan te geven op welke manier de auteur zich met de literatuursuggesties van Paul Heldens heeft uiteengezet.

    Wanneer het echter over de steinerscholen en de kritiek daarop door twee academici gaat, put Schreve voor zijn argumentatie uit zijn eigen ervaring als lagereschoolleerling op een steinerschool. De twee academici, Zondergeld en Van der Tuin, hebben het over het ingieten van occulte zaken in kinderen.

    De leerlingen krijgen een totaalpakket aangeboden, waaraan zij zich nauwelijks kunnen onttrekken. Een onderwijspakket, waarin geloof in reïnkarnatie, karma (Indisch noodlot), aura (onzichtbare uitstraling van ieder mens als ‘tastbaar’ bewijs van zijn geesteslichaam) en allerlei andere totaal onbewezen occulte zaken langzaam maar heel zeker de kinderen wordt ingegoten’ (p. 49.)

    Floris Schreve treedt vervolgens Van Manen gedeeltelijk bij.

    Hans Peter van Manen zegt in ‘Antroposofie ter discussie’ terecht: ‘Dit is van a tot z de allergrootste kolder. De enige vraag zou kunnen zijn wie dit uit zijn duim heeft gezogen: de auteurs of een kwaadwillende informant’ (p. 47).

    Hierin moet ik van Manen gelijk geven, als ervaringsdeskundige kan ik mij niet herkennen in het bovenstaande beeld. Zonder meer een punt voor van Manen.

    Maar dan vervolgen Zondergeld en van der Tuin: ‘Ook het geschiedenisonderwijs- voor zover dat volgens de voorschriften van Steiner gegeven wordt en dat is volgens ons onderzoek niet altijd het geval- kenmerkt zich door de meest onwaarschijnlijke onzin. Atlantis heeft een miljoen jaar bestaan. Een reeds lang en breed achterhaald bijgeloof dat ook door Mellie Uyldert wordt aangehangen, die zich daarbij beroept op nazi-historicus/charlatan Hermann Wirth’ (p. 49).
    En nu het meest interessante, over deze laatste passage zwijgt van Manen, terwijl het in de direct opvolgende zin staat. Dit laatste is namelijk wel waar. Dat van die Nazi historicus en Mellie Uyldert weet ik niet direct (het medium Mellie Uyldert is een beruchte randfiguur binnen de Nederlandse antroposofie, die de Holocaust ‘kharmisch’ weet te rechtvaardigen omdat ‘Joden er zijn om te lijden’ en van ‘Christus stierf voor ons en zij sterven nog steeds met hem mee’, kom ik later op terug). Maar dat je leert dat Atlantis heeft bestaan klopt, zeg ik wederom als ervaringsdeskundige (al ligt de bron daarvan natuurlijk bij Steiner zelf en niet bij een of andere Nazi-historicus, al wil ik meteen geloven dat Mellie Uyldert zich daar maar al te graag op beroept). Zo begon mijn eerste periode geschiedenis in de vijfde klas van de lagere school. Over Manu die het verzinkende Atlantis wist te ontkomen en de beschaving naar het oude India bracht.

    Een voorbeeld van manipuleren, vindt Schreve, want volgens hem had Van Manen ook kunnen zeggen:

    Wat zij (nvdr. Zondergeld en Van der Tuin) over occultisme op school uitkramen is van a tot z de grootste kolder, maar wij leren onze kinderen wel over het bestaan van Atlantis. Wij antroposofen geloven namelijk dat Atlantis heeft bestaan, zoals Rudolf Steiner dit talloze malen uiteen heeft gezet in oa zijn ‘Akasha Kroniek.

    Kolder? Niet voor wie zich verdiept heeft in de door Steiner ontwikkelde ‘menskunde’ en de toepassing ervan in de pedagogie. Occult betekent niet voor niets ‘verborgen’. En de meeste kinderen nemen wat volwassenen aanbieden voor vanzelfsprekend.

    Zullen we daar eens een boompje over opzetten?

    Ramon DJV

    Geplaatst door: Floris Schreve | 12-10-08 om 4:08

    reactie Michel Gastkemper

    Ontkenningsfase

    Zoals hij hier al had aangekondigd, is vandaag de reactie van Floris Schreve, onder andere op het teruggetrokken artikel van Paul Heldens, op zijn weblog verschenen. Dit is nog eens zo’n uitvoerig betoog, net als de vorige keer, waarin hij de punten naloopt die voor hem het racistisch karakter van de antroposofie uitmaken. Hij begint opnieuw met zijn persoonlijke ‘Werdegang’, vooral met betrekking tot de antroposofie, zodat duidelijk kan worden tot welke positie hij ten aanzien hiervan is gekomen. Vervolgens gaat hij in op Paul Heldens, verder bespreekt hij enkele van diens literatuurverwijzingen, waaronder het boekje ‘Antroposofie ter discussie’ uit 1985 en een extra editie over racisme van tijdschrift ‘Driegonaal’ uit 1996. Zijn artikel is echt een deel 2 geworden, waarin Floris Schreve de puntjes op de i zet. Inzichtelijk, navolgbaar, weldenkend en redelijk. En ja, antroposofen krijgen het voor hun kiezen. Maar hij doet dat met open vizier.
    Hij schrijft dat hij zich in jonge jaren na zijn vrijeschooltijd ook met verschillende richtingen van de esoterie heeft beziggehouden. Maar dit heeft hij op een gegeven moment toch weer losgelaten.

    ‘Vanuit de universiteit kreeg ik echter volstrekt ander soort denkbeelden mee (vooral veel postmodernisme en later ook het “postkolonialisme” als ik het zo kan omschrijven, gezien mijn interesse voor hedendaagse kunst en cultuur uit de niet-westerse wereld). Ik ben me ook veel meer daarop gaan richten en heb de esoterie gelaten voor wat die was. Uiteindelijk vond ik het ook veel te megalomaan en, wat betreft de antroposofie, een idee als bijvoorbeeld de Aarde Evolutie en het bestaan van Wortelrassen (en ik verwar deze niet met de huidige mensenrassen, al blijf ik erbij dat het wel wat met elkaar te maken heeft, zie Blavatsky en overigens ook Steiner) werd voor mij een regelrechte absurditeit.’

    Herinneringen aan zijn vrijeschooltijd kwamen weer boven toen medio jaren negentig antroposofie in opspraak raakte vanwege racisme. Alle publiciteit daarover liet hem niet onberoerd.

    ‘Vooral het denken in analogieën (nacht=zwarte ras, ochtend =Aziaten, dag=blanke ras, avond=indianen) was voor mij een schok van herkenning, al had ik het zelf nooit meegekregen dat dit soort modellen ook op mensenrassen werden geprojecteerd. Maar het antroposofisch wereldbeeld (overigens net zo goed andere esoterische denksystemen, maar bijvoorbeeld ook de astrologie) hangen aan elkaar van analogieën, in plaats van causaliteiten. Wat ik hiermee bedoel is dat in de antroposofie het hermetische principe wordt toegepast, het “zo boven zo beneden” beginsel. Krachten en verhoudingen die in de macrokosmos werkzaam zijn, bijvoorbeeld de sterren of de loop van de planeten, zijn ook aanwezig in de microkosmos, bijvoorbeeld de levensloop van de mens, en in het geval van de antroposofie, de mensenrassen. Steiners “de Volkszielen” is gebouwd op analoge causaliteiten of Hermetische “zo boven, zo beneden” redenaties. Zoals Steiner zijn rassenleer in astrologische termen heeft gegoten (…)’

    Steen des aanstoots is ‘Die Mission einzelner Volksseelen im Zusammenhang mit der germanisch-nordischen Ideologie’; hiervan volgt, in aanvulling op zijn vorige artikel, een interpretatie van uitvoerige citaten. Met als conclusie:

    ‘Laten we dus vaststellen dat er wel degelijk sprake is van rassenleer en wel volgens een zeer doordacht en consequent model, al zijn de grondslagen van dat model regelrecht absurd te noemen volgens iedere “normale” logica. Fysionomie, astrologie, geografie en huidskleur, alles samengebracht tot een geheel. Hoe “mooi” de theorie ook in elkaar lijkt te zitten, deze manier van redeneren staat haaks op iedere vorm van academisch of filosofisch redeneren in de wetenschappelijke traditie, zoals die sinds Descartes gebruikelijk is. Dit plaatst de antroposofie ook buiten de wetenschap, hoezeer er in antroposofische kring wordt gesproken van “wetenschap”. Correcter is het om te zeggen dat het om een geloof gaat, al wil ik mij hier niet uitspreken over de mogelijkheid tot schouwen in de Hogere Werelden, zoals Rudolf Steiner zijn ‘Geesteswetenschap’ heeft omschreven (vooral Steiners ‘Wetenschap van de Geheimen der Ziel’ is op dit gebied zeer onthullend). Het gaat mij er hier overigens niet om, om een uitgebreide beschouwing te houden over wat wetenschap is en wat niet (dat is filosofisch nogal complex en voert dus wat ver), maar ik denk dat de vaststelling dat de antroposofie vooral een “geloof” is en geen “wetenschap” hier volstaat.’

    Even later spreekt Floris Schreve zich zo mogelijk nog duidelijker uit:

    ‘De algemene generalisaties en de welhaast monolithische voorstellingen van niet alleen “rassen” maar ook “culturen” zijn een gruwel voor iedereen die vandaag de dag een beetje geschoold is in een historische of cultuurwetenschap. Ook in de culturele antropologie is dit soort etnocentrisch, laat staan racistisch denken (want dat is het) terecht volstrekt uit den boze. De hele theorie van de rassen, maar ook de cultuurperiodes kan wat mij betreft afgedaan worden als negentiende eeuwse eurocentrische rassenwaan, maar helaas tot op de dag van vandaag wordt het binnen sommige antroposofische kringen verkocht en beleden als een diepe mystieke en essentiële waarheid.’

    Ook komt hij opnieuw te spreken over De Brug, een antroposofisch tijdschrift uit België, dat op internet zeer ruim is vertegenwoordigd. De vorige keer heeft hij de artikelen uit deze hoek al als volstrekt onder de maat beoordeeld; dat wordt dit keer niet minder. Het gaat er daar zo woest aan toe, dat dit tot een goed advies aanleiding geeft:

    ‘het lijkt mij genoeg reden voor de gemeenschap der antroposofen om zich definitief van tijdschrift de Brug te distantiëren. (…) Waarom zegt niemand uit antroposofische kring hier iets van?’

    Helemaal aan het slot vat hij zijn bezwaren nog een keer samen:

    ‘Wat mijn probleem met de antroposofie is, is dat het zich allerlei uitspraken permitteert over onbewijsbare grootheden, met een air en een pretentie alsof het de universele waarheid is. Nu doen ook alle religies dat, maar erken dan tenminste dat de antroposofie geen wetenschap is maar een geloof. En voor als je er in kan geloven (en dat kan ik niet meer) waag je dan niet aan allerlei theorieën en uitspraken over rassen, homoseksualiteit (zijn ze bij de Brug heel goed in), over hoe de geschiedenis in rigide sjablonen van cultuurperiodes is in te delen, over de geschiedenis van de aarde, etc.

    Ik zie ook wel de goede dingen (bepaalde kanten van het onderwijs en ik ben ook zeker voor ecologische landbouw), maar wat betreft het duiden of classificeren van rassen en culturen en de megalomane visie op de geschiedenis zijn voor mij persoonlijk eren.’

    (Hier is blijkbaar iets weggevallen, ‘zijn voor mij persoonlijk moeilijk te verteren’ bijvoorbeeld, maar evengoed is duidelijk wat hij bedoelt.)

    ‘Ook van dit soort koloniaal gedachtegoed is de antroposofie doordrenkt, zij het dat er een dikke esoterische saus overheen is gegoten, verpakt in een universele en eeuwig geldende kosmologie. Het zou interessant zijn om dat te doorbreken, dan kan de antroposofie zich ook van het racisme bevrijden. Want dat racisme duikt constant in verschillende vormen op.
    Ik denk dat dit het probleem is, hoewel het door Geuljans geopperde “ethisch individualisme” wellicht een uitweg biedt. Verder is het in verschillende antroposofische uitingsvormen, in talloze gedaantes, telkens weer raak. De vorm is vaak verschillend, maar de inhoud is steeds dezelfde. Of het nu gaat om de mysterieuze op astrologie en aardkrachten gebaseerde rassenleer van Rudolf Steiner in de Volkszielen (en dat is wel de bron), het kwakkelende betoog voor “rasbewustzijn” van Maarten Ploeger ( zwabberend tussen Senghor en Wounded Knee, waarvan hij de eerste niet begrepen heeft en van het tweede de feiten niet kent), het gezwam van meneer Wiechert over Ajax en wederom Wounded Knee, de agressieve vlucht naar voren methode van de auteurs van de Brug die er allerlei neo-nazi elementen bij sleuren (David Irving), of de kruidenvrouwtjespraat van Mellie Uyldert over het Jodendom en de concentratiekampen; keer op keer steekt het racisme de kop weer op. Dat is precies het probleem, en dat maakt voor mij de antroposofie onverteerbaar en uiteindelijk verwerpelijk. Ik denk dat aan dat racisme probleem echt iets gedaan moet worden. (…) als we wederom de oogst van het bovenstaande eerlijk onder ogen durven te zien lijkt mij een discussie niet meer dan normaal. Maar deze zal vooral door de antroposofen zelf gevoerd moeten worden, want een antroposoof ben ik niet.

    Nu heb ik zelf geen hekel aan antroposofische mensen en ik meen te weten dat er genoeg rondlopen die dit probleem eigenlijk ook verschrikkelijk vinden, maar het probleem blijft als er niet een keer een gemeende en verinnerlijkte verandering optreedt. En de plaat van het verkeerd citeren, uit de context halen, etc. is langzamerhand wel grijs gedraaid. De tijd van de ontkenningsfase lijkt me nu wel voorbij.’

    Nu wil de lezer natuurlijk weten wat ikzelf hiervan vind. Stem ik volledig met Floris Schreve in, ik haal hem hier immers zonder commentaar aan? Nee, dat hoeft helemaal niet. Ik zie genoeg punten waarop een discussie gevoerd kan worden. Dat kan ook al blijken uit hetgeen ik van hem heb geciteerd. Maar dat vraagt nog wel nader onderzoek, om met een gedegen reactie te kunnen komen. Dat vraagt ook tijd. Ik ga mezelf misschien herhalen: is er niet iemand anders die een reactie klaar heeft? Van Paul Heldens is die niet meer te verwachten helaas. Maar van wie dan wel?

    Geplaatst door Michel Gastkemper op 20:44
    Labels: esoterie, racisme, Steiner, weblogs
    1 reacties:
    Ramon De Jonghe zei
    Michel,

    Ik vermoed dat er al zo veel in rondjes is gelopen wat Steiner en racisme betreft, dat er door inslijping ondertussen al wel een tunnel tot aan de andere kant van de planeet is ontstaan.

    Maar toch een opmerking over het stuk van Schreve (en daarvoor heb ik eerst een stuk van mijn eigen blog gepikt)

    Wanneer het echter over de steinerscholen en de kritiek daarop door twee academici gaat, put Schreve voor zijn argumentatie uit zijn eigen ervaring als lagereschoolleerling op een steinerschool. De twee academici, Zondergeld en Van der Tuin, hebben het over het ingieten van occulte zaken in kinderen.

    Van der Tuin en Zondergeld:
    De leerlingen krijgen een totaalpakket aangeboden, waaraan zij zich nauwelijks kunnen onttrekken. Een onderwijspakket, waarin geloof in reïnkarnatie, karma (Indisch noodlot), aura (onzichtbare uitstraling van ieder mens als ‘tastbaar’ bewijs van zijn geesteslichaam) en allerlei andere totaal onbewezen occulte zaken langzaam maar heel zeker de kinderen wordt ingegoten’ (p. 49.)

    Floris Schreve treedt vervolgens Van Manen gedeeltelijk bij.

    Hans Peter van Manen zegt in ‘Antroposofie ter discussie’ terecht: ‘Dit is van a tot z de allergrootste kolder. De enige vraag zou kunnen zijn wie dit uit zijn duim heeft gezogen: de auteurs of een kwaadwillende informant’ (p. 47).

    Schreve: Hierin moet ik van Manen gelijk geven, als ervaringsdeskundige kan ik mij niet herkennen in het bovenstaande beeld. Zonder meer een punt voor van Manen.

    Maar dan vervolgen Zondergeld en van der Tuin: ‘Ook het geschiedenisonderwijs- voor zover dat volgens de voorschriften van Steiner gegeven wordt en dat is volgens ons onderzoek niet altijd het geval- kenmerkt zich door de meest onwaarschijnlijke onzin. Atlantis heeft een miljoen jaar bestaan. Een reeds lang en breed achterhaald bijgeloof dat ook door Mellie Uyldert wordt aangehangen, die zich daarbij beroept op nazi-historicus/charlatan Hermann Wirth’ (p. 49).
    En nu het meest interessante, over deze laatste passage zwijgt van Manen, terwijl het in de direct opvolgende zin staat. Dit laatste is namelijk wel waar. Dat van die Nazi historicus en Mellie Uyldert weet ik niet direct (het medium Mellie Uyldert is een beruchte randfiguur binnen de Nederlandse antroposofie, die de Holocaust ‘kharmisch’ weet te rechtvaardigen omdat ‘Joden er zijn om te lijden’ en van ‘Christus stierf voor ons en zij sterven nog steeds met hem mee’, kom ik later op terug). Maar dat je leert dat Atlantis heeft bestaan klopt, zeg ik wederom als ervaringsdeskundige (al ligt de bron daarvan natuurlijk bij Steiner zelf en niet bij een of andere Nazi-historicus, al wil ik meteen geloven dat Mellie Uyldert zich daar maar al te graag op beroept). Zo begon mijn eerste periode geschiedenis in de vijfde klas van de lagere school. Over Manu die het verzinkende Atlantis wist te ontkomen en de beschaving naar het oude India bracht.

    Een voorbeeld van manipuleren, vindt Schreve, want volgens hem had Van Manen ook kunnen zeggen:

    Wat zij (nvdr. Zondergeld en Van der Tuin) over occultisme op school uitkramen is van a tot z de grootste kolder, maar wij leren onze kinderen wel over het bestaan van Atlantis. Wij antroposofen geloven namelijk dat Atlantis heeft bestaan, zoals Rudolf Steiner dit talloze malen uiteen heeft gezet in oa zijn ‘Akasha Kroniek.

    wat zeg ik daarop? Dat het geen kolder is. Zeker niet voor wie zich verdiept heeft in de door Steiner ontwikkelde ‘menskunde’ en de toepassing ervan in de pedagogie. Occult betekent niet voor niets ‘verborgen’. En de meeste kinderen nemen wat volwassenen aanbieden voor vanzelfsprekend.

    Op verscheidene plaatsen (onder andere in ‘Opvoeding van het kind in het licht van de antropsofie’, basiswerkje)spreekt Steiner over het overbrengen van geloof via de overtuiging van de leraar op de leerling waardoor deze ook tot overtuiging kan komen.
    Wel: is dat geen ingieten van geloofszaken? Of om het letterlijk met Steiner te zeggen: ‘…dit geloof gaat als een geheimzinnige stroom van spreker op toehoorder over…’

    En wat gebeurt als kinderen niet overtuigd geraken?

    Groeten
    Ramon

    Geplaatst door: Floris Schreve | 12-10-08 om 4:04

    reactie Michel Gastkemper: http://antroposofieindepers.blogspot.com/2008/09/ontkenningsfase.html

    Geplaatst door: Floris Schreve | 11-10-08 om 20:28

    Hi Floris,

    Een heldere en overzichtelijke uiteenzetting die je hebt neergeschreven.

    Bij de passage waarin het over steinerscholen en het ingieten van occulte zaken in kinderen gaat, wil ik toch opmerken dat je daar volgens mij wat licht overheen gaat.

    Op verscheidene plaatsen, onder andere in ‘Opvoeding van het kind in het licht van de antroposofie’, heeft Steiner het over het overbrengen van geloof via de overtuiging van de leraar op de leerling waardoor deze ook tot overtuiging kan komen.

    Volgens mij is dat ingieten van geloofszaken. Of om het letterlijk met Steiner te zeggen: ‘…dit geloof gaat als een geheimzinnige stroom van spreker op toehoorder over…’

    Als je geheimzinnig als occult vertaalt en stromen als ingieten, vraag ik me af in hoeverre Zondergeld en Ven der Tuin ,iet hetzelfde zeggen?

    Op mijn website http://www.steinerscholen.com heb ik meer aandacht aan je artikel besteed.

    Groeten
    Ramon

    Comment by florisschreve1973 | October 13, 2008


Leave a comment